Helaas..

Weblog houdt op te bestaan. Ik ga een andere site zoeken. Voor wie mijn columns graag leest: laat een berichtje achter, dan stuur ik je het nieuwe adres. En verder: Hebben jullie een favoriete column, laat het mij weten dan zet ik die over naar de nieuwe site...

 

Groetjes Janske 

Huiskamerconcert

“Joepie, joepie is gekomen, met vriendje tussen de bomen”, zingt mijn lief baldadig. We zijn op weg naar Frankrijk en de gratis Zuidzorg cd draait overuren. Twee verwachtingsvolle koppies achterin de auto zorgen ervoor dat we nog maar eens luisteren naar de olifant die, op zeker,de dikste billen van het hele land heeft. Maar dat kan anders. Al snel, want hoe anders dan met de paplepel, schakelen we over naar Blof, Live, Kensington, REM, enz. en wat later de Belgische band Hermitage. Liedjes vol met poëzie waar we allemaal, ook al begrijpen ze niet alles, stuk voor stuk verliefd op worden.

 

“Mama, ik wil graag naar een concert voor mijn verjaardag”, zegt onze ,dan bijna, negenjarige dochter. Ik struin het internet af naar iets waar je met kinderen naartoe kunt. Huiskamerconcert in Houten. Oog in oog met onze Vlaamse muzikale helden, beter kan het eigenlijk niet. Jammer genoeg krijgen ze niet genoeg publiek bij elkaar. En jammer genoeg gaat het, nadat ik mijn ouders en tante heb weten te overhalen om mee te gaan, wegens een soort noodgeval, toch niet door.

 

Zes weken later rijden we, vol verwachting, voor de tweede keer naar Houten. Mijn lief maakt zich al zorgen dat hij ongewild achter het drumstel zal belanden. Mijn tante wil geen microfoon in haar gezicht. We arriveren samen met een mevrouw alleen, die-hard fan van het eerste uur. “Wat goed dat jullie erbij zijn, zegt ze tegen onze kinderen, mijn dochter wilde echt niet mee.” ‘Jammer voor je dochter’ , denk ik en deze dochter moet toch minstens al van mijn leeftijd zijn, schat ik in.

 

Wil je een huiskamerconcert dan krijg je een huiskamerconcert. De mannen zitten gewoon buiten hun toetje te eten. Alsof het niks is. Er staan zo’n dertig klapstoeltjes opgesteld en de afstand van de instrumenten naar de eerste rij is nul centimeter. Natuurlijk willen onze kinderen vooraan zitten, net als de mevrouw. En het kan, want er is nog niemand anders. De rest van ons kiest een veiliger plekje op de tweede rij. De mevrouw heeft dorst. Lang kan ze niet van haar drankje genieten want het valt om. Ik voel de rij achter mij schudden. Spanning loopt op.

 

Opeens is het begonnen. Wow, wat zijn ze dichtbij. En wat zijn ze goed. Het zijn eigenlijk net mensen.Er knapt een snaar en David vergeet zijn tekst, maar wat fijn. Onze kinderen slurpen het hele concert naar binnen. Ze genieten met open mond. Mogen zelfs mee komen doen op het keyboard. Een heel liedje lang drukken ze, vol trots, dezelfde toets in. Bijna alles zingt ze mee, onze grote dochter, die dit voor haar verjaardag wilde. Wat een feestje. “Ge kunt de maan zien, broers en zussen kom naar buiten het is nog nooit zo mooi geweest.”

 

Voor we het weten is het bijna afgelopen en staat de hele huiskamer te dansen. Mannen, dankjewel, dit gaan we niet meer vergeten. En altijd blijkt maar weer: Alleen de liefde kan u redden!


Lieve Jan

Misschien is dit wel een liefdesbrief. Hoewel ik de afgelopen jaren heb laten afweten, is mijn liefde nooit over gegaan. Verlangend heb ik voor de televisie gezeten, het ging gewoon even niet. Maar ik ben terug. Al was het maar voor één dag.  Eigenlijk ben ik mijn hart al eerder verloren op Torhout/Werchter maar jouw roze versie voldoet ook prima.

 

‘Parkeren 30 Euro’, staat er op het gele bord. NIet nadenken. Doen! Toch best veel. Die boer mag in zijn handjes wrijven. ‘Camping C’ staat er op een ander geel bord. Na veertig minuten lopen een nieuw bord: ‘parkeren 15 Euro’. Nee, maakt niet uit Jan, maar helemaal eerlijk is het natuurlijk niet.

 

Gelukkig de ingang. Het is er wel druk, maar we zijn er. Er zit nauwelijks beweging in de mensenmassa en ze beginnen met bosjes flauw te vallen. “Jij valt toch ook wel eens flauw, met ambulance en al?”, zegt mijn festivalmaat. Even overweeg ik om ook tegen de vlakte te gaan maar de slachtoffers zien zo wit, dat valt niet te faken. Anderhalf uur later zitten we met een drankje in onze hand te doen waar we voor gekomen waren. Ons verbazen over kledingkeuzes, acties, uitspraken en manieren van eten. Voor ons een aangespoelde walvis in ordinair pailletten shirt. Je vraagt je dan toch af: waar komt zo iemand voor?

 

Toch is het anders dan vroeger Jan. Ik wil niet klinken als een oud wijf maar sinds wanneer ligt het veld bezaaid met een overdosis loempiasaus, ik-lust hem toch niet helemaal loempia’s, resten smoothies en half verteerde pizza’s, waar andere mensen dan nietsvermoedend in gaan staan. Is zo’n lullig gezicht onder je schoen. Bijna net zo erg als een stuk wc-papier onder je voet voortslepen.

 

Kensington speelt het hele veld plat. Knap, zeker gezien de overdosis ‘Beliebers’. Ja, Jan, ik weet het was niet jouw keuze om deze God naar Landgraaf te halen, maar maak je niet druk. Echte die-hards overleven dit wel. Voor de bui, (wat is Pinkpop zonder regen?) nog snel even een loempia. Was het jouw idee Jan, om die saus zo heet te maken? Dat komt nooit meer goed met dat gras.

 

Dikke druppels uit de lucht en een wereldster die een dikke twintig minuten te laat het podium beklimt. In joggingpak en met zonnebril. Als hij die afzet, barst er een enorm gekrijs los. Achter de bril schuilen twee trieste, vermoeide ogen. Hij heeft geen idee waar hij zich bevindt, arme Justin. “Speel nou godverdomme eens wat bekende nummers, K*T!”, roept een meisje met zwaar Limburgs accent en eyeliner tot aan haar oor. The next generation. Justin graait in zijn kruis en playbackt nog een liedje. En toch: spektakel!

 

Doorweekt en koud, met onze poncho tegen ons lijf geplakt lopen we, in hoog tempo, het hele eind weer terug naar de warme auto. Lieve Jan, het gevoel was als vanouds. En we blijven terugkomen met onze eigen ‘next generation’, dus: ja dit een liefdesbrief...

 

 

 

 


Heet

Er piept een mini- zonnestraal door het raam van ons lokaal. Het is al april maar steenkoud. “Juf, mag je zonder jas?”, roept een kleuter, omdat kleuters dat nou eenmaal roepen. “Ik heb helemaal geen jas bij!”, roept de volgende en ik weet dat ik hem zo meteen extra goed in de gaten moet houden. Ik pak mijn winterjas en hoor mezelf tevergeefs zeggen: “Iedereen doet zijn jas aan én dicht.” “Help elkaar met jassen dichtmaken, roept mijn collega voordat er zich een hele rij heeft gevormd met  vier en vijf -jarigen die denken ‘veel handiger als de juf dat doet, ik kan het wel zelf maar mama denkt van niet , grappig hè?’

 

Na een halve bloedneus, natte broek, en een snikkend “hij heeft mijn jas onder de kast geduwd” sta ik toch nog buiten. Mijn oog valt op een rennend exemplaar zónder jas. Toch nog vergeten om te checken of hij echt geen jas ‘bij’ heeft. Er hangt nog één zielig exemplaar aan de kapstok. Of course.

 

Een paar weken later. Twintig graden. “Mag je zonder jas?” Ik roep ze bij elkaar om te voorkomen dat ik drieënveertig keer dezelfde vraag moet beantwoorden. Benieuwd wie er dan dadelijk toch nog... “Je mag zonder jas”, gonst het door de gang. Ze zijn bang dat niet iedereen van dit heuglijke nieuws op de hoogte is en dat zou jammer zijn.

“Juf, mag je zonder jas?, vraagt een schattig meisje met grote glimlach en nee, ze doet het niet expres. Dolgelukkig huppelt ze naar buiten.

 

Nog een paar weken verder in het schooljaar zitten we. De weerman heeft mij beloofd dat de thermometer vandaag vierendertig graden zal aangeven. Alsof ik vet in de overgang zit word ik, terwijl ik aan mijn bureau vaderdag versjes op zit te plakken,  overspoeld met hitte. “Juf mag je…?” “Ja natuurlijk mag je zonder jas.” “Ik heb helemaal geen…” “Nee, je hebt helemaal geen jas bij” zeg ik lichtelijk onverschillig maar nog wel met een glimlach. “Nee, hè juf, dat was een grapje hè, ik heb helemaal geen jas bij ME.” Ik krijg ook nog een knuffel toe. “Jongens, we mogen zonder jas!” roept hij blij naar zijn maten.

 

De middagpauze is voorbij. Bezweet zitten ze alle drieënveertig in de kring. Ik heb besloten om ze een spaans liedje te leren. Lekker ‘s zomers. Ik pak mijn gitaar en sla het eerste akkoord aan. Alle snaren klinken nagenoeg hetzelfde. “Heeft er soms iemand aan mijn gitaar gezeten?” “Ja ik juf, ik heb even aan al die knopjes gedraaid.” Ik krijg het nog warmer dan ik al had. Weg les, weg liedje, weg verwachtingsvolle gezichtjes. Ik geloof dat ik even tot tien moet gaan tellen in de hal. “Ik heb het zo warm, juf”, zegt de dader. Zo goed en zo kwaad als het kan, stem ik mijn gitaar en zingen we toch nog ons Spaanse liedje. Heerlijk verkoelend. En ik ga nog zonder jas naar huis ook!

 

 


Beren

Nog snel prop ik een blauwe, uit de kluiten gewassen, knuffelschildpad in een rieten mand op zolder.  De berensloffen (ook van megaformaat) van mijn zoon verstop ik achter de Playmobilbakken onder zijn bed, samen met alweer een verdwaald wolkje stof. Achter de deur van onze dochter verstop ik de minigitaar maar verder heb ik echt ALLES schoongemaakt en opgeruimd. Mijn lichaam heeft zich in de meest rare standjes moeten vouwen om overal bij te kunnen.


Ik ben eigenlijk heel raar. Ik hou ervan om te weten wat er gaat gebeuren en heb voor alles mijn eigen structuurtjes. Ik hou van netjes en opgeruimd maar aan de andere kant kun je mij zeker geen poets noemen. Niet dat de kakkerlakken hier door de kamer lopen maar je moet mij wel lichtelijk indelen bij de categorie: ‘Franse slag.’ Met twee kinderen is het ook echt niet te doen. Plekkezen zijn het. Van wie zouden ze dat nou hebben.


Als ik de straat in rijd zie ik het lichtblauwe bord al staan. Het zou geen verrassing moeten zijn maar toch raakt het me. Ik weet niet of ik er blij of verdrietig van word, of iets er tussenin. In ieder geval maakt mijn hart een raar soort sprongetje. TE KOOP, het staat er echt. Ja natuurlijk staat het er echt. De komende dagen scharrelen er vreemde mensen, met kritische blik door ons fijne huis. De komende dagen mag er geen kruimel op de vloer liggen. De komende dagen is het afwachten of er een bod komt of niet. Terwijl ik het fijn vind om te weten wat er komt. En dus zijn ze daar. De beren op de weg.


“Mama”, snikt onze zoon. “Ik had van jou een visje gekregen uit Porto en dat is in de verwarming gevallen en als we gaan verhuizen dan zie ik dat visje nooooooit meer terug.” Hij vindt het ook fijn om te weten wat er komt. Zijn zus komt, om hem bijval te geven, uitgebreid  uit bed. “Ik wil ook niet verhuizen!”, zegt ze, aangedikt met prépuberale mimiek. “Ik moet de hele tijd ALLES opruimen en daar heb ik ech geen zin in!”


Beren dus: Wanneer is het verkocht? Moeten we dan naar een camping? Kunnen de kinderen op dezelfde school blijven. Wat als we helemaal geen leuk huis vinden? Gewoon ademhalen”, zegt mijn lief. “Papa zegt dat wij een poes mogen als we een ander huis hebben.” ‘Huh?’, denk ik, ‘zou hij dat echt gezegd hebben? Leuk, nog een plekkees!  “En een nieuw bed op een grotere kamer. En een tuin met een trampoline en….Gelukkig ze dromen weer. Dan begin ik ook weer te dromen, niet eens met de Franse slag. Langzaam veranderen de obstakels in knuffelberen. ‘Mag ik dan een tuinhuisje tussen de bloemen, om verhalen in te schrijven met een poes op schoot?’ Oja, en heel misschien een schuur waar vier fietsen in passen...



Amsterdam

Aarzelend rijden we het landweggetje op. Het ligt bezaaid met paardenkak en het geluid van blaffende honden komt ons tegemoet. De zigeunerachtige pipowagen staat scheefgezakt in een weiland en aangezien het er maar één grote is, weten we zeker dat het de onze gaat zijn. Ik stel me iets romantischer voor bij bed and breakfast (waar zou de eetzaal zijn?) en we wisten dat er dieren zouden zijn maar meteen een heel hondenpension met jankende, hun baasjes missende honden, dat hadden we niet helemaal ingeschat.


Ik ben blij dat we dit in ieder geval samen hebben geboekt anders zou mijn lief mij op z’n minst een alleszeggende blik hebben gegeven. Opeens sta ik oog in oog met een stier die niet helemaal op zijn gemak is. Er zit  nog wel een gammel houten hekje en een stukje enkel glas voor maar toch, deze zag ik ook niet aankomen. De man, of boer, die dit hele zaakje runt, doet zijn stinkende best om het ons zo aangenaam mogelijk te maken. “We zullen voor jou eens een passende fiets zoeken man!”, zegt hij met plat Amsterdams accent tegen onze zoon, die opeens niets meer durft te zeggen. Wat willen we nog meer, gratis fietsen, vlakbij Amsterdam en ook nog ontbijt dat ‘s morgens om 7.15 keurig op onze veranda wordt gezet.


Toch maar even een testrit maken met onze gammele fietsen. Tegen de wind in trappen we tussen de uitgestrekte weilanden. Ik heb een groot slag in mijn wiel maar zeuren doen we niet. Als we over een steil bruggetje fietsen hoor ik een geluid dat lijkt op iets dat afbreekt.  Het klopt. Mijn lief staat met een zuur gezicht naar zijn achtergebleven trapper te kijken. Thuisgekomen ruilt hij  de fiets snel met een exemplaar dat eigenlijk bij een  mini pipowagen hoort.


De volgende dag ploegen we onszelf naar de stad, een mooie tocht door Amsterdam-Noord en over het IJ met de gratis fietspont. Dat Amsterdam meer fietsen heeft dan inwoners blijkt als we in het centrum komen. Van alle kanten vliegen de fietsers en scooters ons voorbij. Lichte paniek in de ogen van onze zoon die niet weet welke kant hij op moet en eigenlijk nét niet bij de trappers kan. Huilend staat hij midden op een zebrapad te klagen dat ik niet boos moet doen. Iets van doorlopen zou nu niet verkeerd zijn ‘man’ denk ik in plat Amsterdams.

Lopend blijkt toch iets relaxter en we doorkruisen de hele stad. De wallen mogen dus niet ontbreken. Onze dochter is op de hoogte van wat zich hier afspeelt maar onze zoon ontgaat het hele circus want hij moet plassen. Als hij dat achter de rug heeft zegt hij: “zo, nu heb ik wel genoeg blootjes gezien, kunnen we iets anders gaan doen?”


Uren later zitten we te gloeien in onze kar. Uitzicht niets meer dan een slapende stier. Omgevingsgeluid: niets anders dan het geluid van heerlijk slapende kinderen.(en één hond met wanhopig veel heimwee) Amsterdam, dankjewel, “het lijkt wel vakantie, man!”


Jo

“Dè moette nie doen Jo! Des veels te duur.” De vrouw van Jo is duidelijk not amused. “Hij koopt alles wa los en vast zit en ik moet ‘m in de gaten houwe! Is het echt bont?” vraagt ze, alsof ze er zeker van wil zijn dat ze geen grote schat laat liggen. “Nee”, geef ik eerlijk toe, maar het is wel een gave jas. “Zal ik ‘m vatten?”, probeert Jo, terwijl hij de jas aanpast. Het staat hem oprecht goed.  “Nee Jo, niet doen! Twee Euro kende er voor krijgen, meer nie en het is niet eens voor hemzelf, dè wil echt niemand Jo.”


Al jaren is de enorme nepbontjas een van de topstukken van mijn verkleedklerencollectie maar hij is zo zwaar dat ik hem nog nooit aan heb gehad, niet met Carnaval (te warm) en niet op het toneel (je kunt nauwelijks ademhalen als je dat ding aan hebt.) Ooit gekregen van de vriendin van mijn oom. Het is de tweede keer dat ik hem met Koningsdag probeer te verkopen maar voor twee Euro doe ik hem echt niet weg. Dan neem ik hem liever weer mee naar huis, dan moet het zo zijn.


Spullen verkopen bij een kraampje mijn hobby? Nee. Gaat het me goed af? Niet echt. Hebben we de goede locatie gekozen zo vlak bij huis? Vast niet en het weer werkt ook niet persé mee maar als er dan binnenkort een bord met TE KOOP erop in de tuin komt moeten er spullen het huis verlaten. Dus sleuren we, hier en daar met pijn in ons hart, allerlei zut naar de vrijmarkt.


Een stukje verderop onderhandelt de vrouw van Jo over een glazen schaal. Oerlelijk. Jo kijkt verlangend over zijn schouder. Zijn jas. Hij haalt zijn schouders op. Opeens krijg ik een idee. Om de pijn te verzachten vraag ik of hij met de jas aan op de foto wil. Hij aarzelt. “Is da wel veilig en wa doe de gij er dan mee?” “Ik heb een eigen theater Jo, “ overdrijf ik, “En het is superveilig!” Hij poseert als een topmodel. “Kom ik nou op de televisie? Misschien wor ik nog wel ontdekt. Ik hoor wel vaker da ik een markant persoon ben. Ik ben helemaal van de kaart!” “Jo, schiet op en leg die jas weg!” Ojee, daar is moeder de vrouw weer. “Mag ik hem voor tien Euro meenemen?” “Dat mag zeker! Niet van haar. Nog drie keer kijkt hij om. Knipogend, zwaaiend, vol spijt.


De rest van de dag kijkt er niemand meer om naar de jas. Dan gaat ie dus gewoon weer met mij mee denk ik licht verheugd. Maar dan staat ie opeens weer voor mijn neus. “Ze is weg!”, zegt hij. “Ik zat op hete kolen. Ik denk die jas is verkocht.” Met trillende handen vist hij een tientje uit zijn portemonnee. “Het komt vooral omda gij een foto van mij gemaakt het, ik kon het niet loslaten!” Met veel plezier help ik hem in de jas. Geniet ervan Jo! Je hebt het verdiend.


Paasbest (of)

“Juffie, ik moet plassen!” roept één van mijn mannelijke kleuters als hij door iemand anders op het idee is gebracht. “Dat zal dan tegen een boom moeten”, antwoord ik in de hoop dat hij het nog even kan ophouden. “Ja, weet ik!”, zegt hij en zijn ogen schitteren nog meer dan anders. We vieren Pasen met de hele school bij een grote zandberg in het bos. Voor ik kan zeggen welke boom hij het beste kan nemen, heeft hij er zelf al eentje uitgezocht. Vlak naast hem het glimmende papier van een verstopt paasei. Lekker.


Omdat het voor onze kleuters te ver lopen is, mogen we met de huifkar. De huifkar van een van de opa’s, met een tractor ervoor. Opa heeft op de terugweg besloten om een beetje spanning en sensatie toe te voegen. Met veel gehobbel rijdt de tractor tegen de zandberg op. De huifkar, inclusief veertig kleuters, gaat zo steil naar beneden dat mijn collega en ik oprecht beginnen te gillen. Kinderen liggen in een deuk. Opa ook. Meer hebben ze niet nodig.


Eerste paasdag 6.15 uur. “Mag ik naar beneden?”, vraagt onze zoon. “Nee”, brom ik slaperig, “want de paashaas is nog niet geweest.” “Nee, dat weet ik”, verraadt hij zichzelf, want de zak met chocolade-eieren ligt nog gewoon op tafel. “Jij bent toch de paashaas hè papa, toch papa?” Blijkbaar is hij er met zijn zeven jaar nog steeds niet van overtuigd dat de paashaas in dit geval inderdaad gewoon zijn papa is.


“Mam, geloof jij dat Jezus echt uit zijn graf is gekomen? Dat hij, terwijl hij dood was, die steen opzij heeft kunnen duwen? Dat kan toch niet?”, zegt mijn negenjarige dochter als we door de stromende regen toch maar even een paaswandeling aan het maken zijn. “Nee, voegt ze eraan toe,  “ik geloof in de zee, met hele kleine diertjes, die toen vissen werden en die vissen kregen pootjes en zo kwamen ze het land op en….” “Maar hoe werden die vissen met pootjes dan mensen?”, vraag ik haar. “Gewoon door die apen die rechtop gingen lopen.” Dit lijkt me een prima paasgesprek. Meer hebben we niet nodig.


Volgende dag. Eieren zoeken bij opa en oma. Vakkundig verstopt door mijn vader. Al meer dan veertig jaar op dezelfde manier. Drie kleine eitjes vergezeld door één groot ei. En elk jaar vinden we op wonderlijke wijze een setje niet. “Opa, hier liggen echt alleen maar drie kleine eitjes.”, zegt mijn dochter. “Dat kan niet!” antwoordt pap. Onverwacht krijgen we een verklaring voor het missende setje. Ik graai met mijn hand in de bosjes waar het grote ei zou moeten liggen. Niks. Niks, behalve een door een knaagdier aangevreten glimmend stukje paaseipapier. Thuisgekomen met zijn snorharen vol chocola. Mijn naam is haas.


Nog een paaswandeling. Met iets meer zon deze keer. Kikkers vangen met opa en nichtjes. Kikkers die op je hand blijven zitten om te zonnebaden. Meer hebben we niet nodig….


Vet

De mondhoeken van een van mijn kleuters zitten vol met restjes hagelslag. De tafel waaraan hij zit te eten trouwens ook. Op de grond ligt ook nog een halve boterham. “Juf, er ligt een stukje brood op de grond en ik kan dat niet meer opeten want dan moet ik het eerst afspoelen en dan is het niet meer lekker.” Eigenlijk zou ik iets anders verwachten in zijn broodtrommel.


Dezelfde dag, ‘s avonds ben ik weer op school. Niet om te werken maar om te luisteren naar twee mannen die aan ouders komen vertellen dat VET gezond is. Mijn nieuwsgierigheid wint het van een avondje op de bank. Het zijn niet zomaar mannen. Het zijn artsen en een ervan is de vader van een van mijn kleuters. Ze zijn ook al op tv geweest dus ze zullen wel iets te vertellen hebben.


Verhaal is duidelijk en aannemelijk. De uitvoering een stuk minder makkelijk. Geen of nauwelijks brood meer en fruit wordt overgewaardeerd. Eten graag puur natuur, van eigen bodem. Iets met geografisch DNA, of zoiets. Suiker: drie schepjes per dag is genoeg. Weet je hoe weinig dat is? Er moeten andere dingen in de broodtrommels komen. Het woord broodtrommel is dus straks ook niet meer van toepassing(en overgewaardeerd) Koolhydraatarme crackers dat mag wel, en omeletjes die nergens opzitten. “Ik denk niet dat de juf heel blij word als er straks veertig kleuters crackers zitten te smeren.”, merkt een moeder droog op. Nee, dat denk ik ook niet. Ik zie mezelf al zitten tussen de chaos. Als ze het al lukt om ze te smeren dan moeten ze het ook nog opeten. “Mijn zoon eet ook nog steeds brood hoor.”, geeft de dokter aarzelend toe. Ah! Met hagelslag misschien? We mogen niet spastisch doen.


Niet spastisch dus. Maar minder brood, dat moet wel kunnen, was toch al beter voor mijn darmen. Maar moet ik mijn kinderen daar ook mee lastig vallen? Ik waag me aan een recept voor ‘pittenenzadencrackers’ Met psylliumvezels. Wtf is dat? Voordat ik het in de gaten heb, heb ik me laten verleiden tot het kopen van allerlei, dure, verantwoorde ingrediënten. De psychedelische vezels  (als ik er maar niet van ga hallucineren) blijken te fungeren als bindmiddel. Met grote ogen kijken mijn kinderen naar de bereiding van de op vogelvoer lijkende reuzencracker in wording. “Vet!” , roept mijn zoon, “Maar het stinkt wel.”


Het resultaat is niet eens heel slecht. Maar het is wel een overdosis verantwoord. Als ik maar niet doorschiet. Puur natuur roept ook hele andere dingen op. Overal en grijze haren (coupe EO), platte gezondheidsschoenen met zelfgebreide geitenwollensokken,  huidskleurige onderbroeken tot aan de navel, bietensap en haverkoek zonder suiker. Niets om naar uit te kijken. Geen kers op de taart. De crackers zijn al bijna op dus dat is het niet. Niets verkeerds aan gezond eten, maar mag ik please af en toe wat verleiding, zoete verleiding? VET!




Superbo(c)k)

“Ik heb alle standjes al uitgeprobeerd”, roept mijn moeder tegen mijn zus en mij. “Maar ik slaap nog steeds niet.” Nee mijn moeder, of ons mam, is geen deskundige op het gebied van louche praktijken en nee, ze is ook niet dementerend. Ze is in haar beste doen en op pad met naar twee meiden. De tweede nacht in ons appartement in Porto en we kunnen niet slapen van alle indrukken. We blijken alledrie al twee uur wakker, zonder te praten. Mam en zus liggen in het masterbed en ik, geheel vrijwillig, op de slaapbank in de woonkamer. Slaapbank met bolle kant. Het is eigenlijk meer een bok uit de gymzaal, maar dan groter, een superbok dus. Dat doet me denken aan Portugees bier.


We zijn nog lang niet uitgepraat. Als vanzelf komen de quotes van de afgelopen dagen naar boven. “Hier, ‘mussels’ dat staat me wel aan.”, zegt ons mam als ze de menukaart bekijkt. Mijn zusje en ik kijken elkaar verbaasd aan. Sinds wanneer lust ze dat? Sinds wanneer wordt ze daar niet meer hondsberoerd van? Het zou kunnen dat ze daarna een sinaasappel gaat eten want dat neutraliseert alles (en een sinaasappel heb je trouwens sowieso elke dag nodig, waarom: ask my mummy!) maar dit is nieuw voor ons. “Lekker, champignons!”, zegt ze alsof ze ze al proeft. Aha mushrooms… De wijn doet de rest. “Are they behaving?”, vraagt de sjanserige en knipogende ober aan ons moederke. Yes, yes, the question is: is she behaving…


De wijn doet de rest. “Tea is for mummy’s” probeert de nog harder zijn best doende sjansober als wij (mam niet hoor) een kopje thee willen bestellen. Ik weet niet of je goed gekeken hebt Fernando (want zo heet ie), maar wij zijn zelf ook mama’s maar hij neemt zijn taak serieus en flirt rustig verder. “Het is dat die moeder erbij is, want anders”, gooit ons mam nog wat olie op het vuur. Ze is in haar beste doen. Moe ondertussen, maar naar huis gaan doen we nog niet.


“Doe maar in je tas, dat ziet niemand.”, zegt mam. Ik voel me opeens een ondeugend klein meisje. Als mama het zegt, zal het wel goed zijn. “Daar hedde toch al voor betaald.”, voegt ze er in semi-Brabants aan toe. Voor ik het in de gaten heb, zit het Superbockglas in mijn tas. Felbegeerd binnen onze familie. Alleen mijn vader bezit er een. In het kader van ‘daar hedde toch al voor betaald’ meegenomen uit een all-inclusive hotel. Als mijn zus van de wc komt, kijkt ze met grote, vragende ogen naar de lege plek op de bar. Nee toch?


Slapen lukt nog steeds niet. Ik zie obers in matrozenpakjes, een supersnelle kabelbaan, boterhammen overgoten met kaas en ei (bah), gedroogde stinkvissen, heerlijke portjes, schattige huisjes, tegeltjes, azulejo’s en enorme bruggen voorbij flitsen. We zijn nog lang niet uitgepraat!


(weleens Tonic gedronken uit een houten prikker?)...


Meisjesfeest

“Het zou fijn zijn als je je kind zo uit de printer kon halen”, zegt een vriendin van mijn dochter. Er zitten negen meisjes in mooie jurken aan onze eettafel. Een verlaat verjaardagsetentje voor onze negenjarige. “Dat scheelt een heleboel pijn, ja”, zegt de nuchterste van het stel, alsof ze zelf al eens een bevalling heeft meegemaakt.Onze zevenjarige zoon, die de dames serveert, loopt met gespitste oren rond. Het liefst zou hij bij ze aan tafel gaan zitten.


Het is gewoon echt een ander verhaal. Een jongensfeest of een meisjesfeest.Punt. Waar je de jongens (en dat is uiteraard niet je eigen kind) zo ongeveer samen met de ketchup van het plafond af moet halen moet je bij de meiden ervoor zorgen dat het grootste venijn thuis blijft. Anders wordt het een viswijvenfeest en dan wil je zeker niet.


Geen viswijven hier aan tafel. Integendeel. Tussen de gerechten door spelen ze spelletjes. Wat zou je doen voor duizend Euro, en: je MOET kiezen. Heerlijk. Ik geef ze wat voorbeelden en dan mag ik subtiel weer naar de keuken verdwijnen. Semi-onzichtbaar worden. Samen met onze zoon eten mijn lief en ik staand in de keuken. Voor duizend Euro in je onderbroek naar school? Zeker! Daar zijn ze het unaniem over eens. Als je probeert iets niet te horen dan hoor je het extra goed.


Na een paar onschuldige ‘je moet kiezen dilemma’s’ als bloemkool of spruitjes komen de jongens op tafel. Ze gillen het uit van het lachen. Het zijn net mensen. Waar ik met mijn vriendinnen altijd standaard de vraag: Aart Staartjes of Ome Willem (en je MOET kiezen), moet beantwoorden maken onze gasten een begin met twee onmogelijke, of juist hele leuke, jongens uit hun klas. Onze zoon vergeet zijn taak als ober en gaat, niet eens aarzelend, bij de meiden staan. Ze schenken weinig aandacht aan zijn aanwezigheid maar hij mag blijven. Hij kiest gewoon mee, maakt hem het uit.


Als ze uitgegierd zijn zegt er opeens een: “Zou je kunnen trouwen met een frietpan?” Daar moeten ze even serieus over nadenken. “Een frietpan kan geen ja zeggen dus waarschijnlijk niet.” is de conclusie. Seks met een frietpan en de printer baart je kind. Bijzondere toekomst gaan ze hebben. Tot slot kijken ze nog een filmpje. “Als je ouders twee keer per week ruzie hebben gaan ze scheiden”, zegt een stem die uit de tv komt. Nu wordt het echt tijd om mijn oren dicht te houden. Niet voor mezelf want onze dochter kan nu toch niets zeggen. “Mijn ouders”, begint er een. Lalalalala.


Naast een tafel vol lachende meiden heeft ook onze zoon heeft een prima avond.Zal ik hem het dilemma voor zijn volgende verjaardag gewoon voorleggen Je MOET kiezen, een jongens of een meisjesfeest...


Worstje

Draaiend met haar heupen staat onze negenjarige dochter voor de spiegel. Ze bekijkt zichzelf aandachtig en komt tot de conclusie dat ze een kort meisjeshemdje nodig heeft. Voor haar onzichtbare maar pijnlijke opkomende rondingen. Ik weet niet waar de tijd gebleven is maar aan haar bijzonder wijze en puberale opmerkingen de laatste tijd, merk ik dat ze groot aan het worden is.


“Ik weet niet of ik wel de goede keuze heb gemaakt”, zegt ze snikkend als ik de badkamer inkom. Ze staat wederom voor de spiegel en kijkt hoe haar eigen tranen over haar wangen rollen. “Waarmee?” roept haar, op zijn kamer met lego spelende broertje, naar haar en staat in een mum van tijd met gespitste oren en een brede glimlach achter me. Omdat ik een serieus meisjesprobleem vermoed, stuur ik hem, terug naar zijn kamer. Mokkend druipt hij af.


Ik vraag voorzichtig of ze het me wil vertellen. Ik heb nu die blonde maar ik had toch liever die donkere gehad eigenlijk. Ik heb geen idee wat ze bedoelt maar het kan in ieder geval, tot mijn grote opluchting, niet zo zijn dat ze het verkeerde vriendje heeft ‘gekozen’. Hij is namelijk al donker en die twee vinden elkaar veel te leuk. Maar wat dan? “Bij die blonde zat wel een scooter maar die donkere had een veel mooiere jurk aan.” Aha. Playmobiel. Een serieus meisjesprobleem dus. Ik slik mijn lach in want ik neem haar serieus, mijn grote kleine minipuber. “Welke uitspraak in stickervorm hangt er bij ons op de wc?”, vraag ik haar. “Spijt, sund van de tijd.” zegt ze en begint dan heel hard te lachen.


Een paar dagen later zijn we in het zwembad met mijn zus en haar twee dochters. Tijd voor de lunch. Ons meisje zit nietsvermoedend het broodje van haar broertje op te eten. Het broodje met grillworst, waar ze naar eigen zeggen, in prépubertaal ‘van moet kotsen’. Ze ontdekt het pas als ze al driekwart van het broodje heeft opgegeten. Trekt dan een heel arsenaal aan acteertechnieken open om te laten zien hoe goor dit is. Alsof iemand anders haar een oor aangenaaid heeft. Gelukkig is ze gezegend met zelfspot en moet ze alweer lachen.


Volgende dag. Bij de slager. Terwijl ik wacht gaat mijn meisje aan de Duplotafel zitten. Ze bouwt een klein huisje en wacht geduldig tot ik klaar ben. “Wil ze nog een worstje?”, vraagt de slager terwijl hij een lellend schijfje boterhamworst omhoog houdt. “Nee dankjewel”, zegt ze keurig netjes. “Daar ben ik nu echt een beetje te groot voor!”


Taxi

Carnaval, jaren geleden: “Hedde gij lege banden?”, vraagt de beschonken medepassagier aan bestuurder van het taxibusje. De auto is met een bonk over een drempel geknald. “Hoezo, moette gij nog iets opnemen dan?” roept iemand anders er overheen. De chauffeur mist de grap en ik snap ook wel dat dit een geval is van ‘daar had je bij moeten zijn’ maar toen was het, met bier op, erg grappig. De chauffeur begint over iets anders te praten. Of praten, zeveren.


Carnaval 2017. Na een lange avond met mijn trouwe carnavalsmaat is het tijd voor een taxi. Die er niet is. Er staat er wel een, maar die is natuurlijk niet voor ons. De mevrouw die de auto bestuurt, neemt haar taak serieus. Ze heeft een lichtblauwe bril op maar ik twijfel een beetje of die uit de verkleedkist is gekomen. “Ken ik dadelijk nog een ritje tussendoor naar Dommelen doen?” roept ze tegen de centrale. Het ziet er naar uit dat we geluk gaan hebben.


In mijn ooghoek zie ik een clown zwalkend op ons afkomen. “Can you bring me to Vught?” vraagt hij met dubbele tong. “No I can not, too busy, I first have to bring these en then I have to go come back for dees two dames. En that are very much kilometers dus that will be very expensive. Ik think eighty tot hunderd Juuroos” Dat is teveel voor de clown en hij druipt af. Tien minuten later is de mevrouw met de blauwe bril keurig terug.


Als twee onnozelen stappen mijn zusje en ik allebei achterin de auto. We vinden het leuker naast elkaar en hebben allebei niet zo’n zin om voorin te zitten. Als ik daar zit (en ik heb gedronken),kan ik me niet inhouden. Moet ik vragen: ‘Loopt de meter ook door als je stilstaat bij het stoplicht?’ Slaat nergens op, weet ik, maar het is zo leuk om te doen. Dan krijgen we het verlossende antwoord over de bril. “Ja, ik ben dus niet verkleed hè.”, zegt ze verontschuldigend, alsof we er om gevraagd hebben. “Ik heb ook zakelijke ritten, ik moet ook mensen naar huis brengen die gewoon zijn gaan uit eten. En die zitten dus niet te wachten op dat soort toestanden. En normaliter gesproken ga ik me dan tussendoor steeds omkleden maar die tijd heb ik gehad.”


Het valt helemaal stil op de achterbank, waar we elkaar nog onnozeler aankijken. Dat kost ook een heleboel Juuroos, tijdverlies door omkleden. Ik weet dat we allebei hetzelfde voor ons zien. Liggend in haar taxi, kleedt ze zich steeds om, van zakelijk naar feest en terug. “Gullie het heul veul geluk gehad!”, zegt ze dan. “Da ik jullie er efkes tussendoor kon doen. Anders hadde gullie nog heul lang kunnen wachten.” Dankjewel mevrouw met de blauwe bril. Jij hebt ook best een beetje geluk gehad met ons. Twee naast elkaar zittende, niet veeleisende dames. Volgende keer een leuk carnavalspakje aan?







Eten

“Als je een kersenpit eet, en je jokt, dan groeit er een boom in je mond.”, zegt een kleuter terwijl hij tergend langzaam een ontpitte kers, uit een potje, in zijn mond stopt. Deze kleine filosoof houdt meer van praten dan van eten en dan is dit nog maar het fruit. Laat staan dat hij twee broodjes naar binnen moet werken binnen een minuut of twintig.


Nu ik van een afstand naar het eetgedrag van mijn vele kleuters zit te kijken denk ik: ‘wat een raar gebeuren is dit’. Elke dag opnieuw stoppen we dingen in onze mond om in leven te blijven. Allemaal verschillende dingen. Het liefst wel een beetje gezond. En om dat gezellig te maken gaan we daarbij ook nog samen aan een tafel zitten. Kunnen we ondertussen nog wat kletsen, maar niet te veel en ook niet als je je mond al vol hebt zitten met eten.


Daar kijken ze hier niet naar, of hun mond al vol zit of niet. Ze eten en praten tegelijk. Of ze eten niet omdat ze bezig zijn met de lunch van een ander. “Juf, hij heeft zijn boterham in de prullenbak gegooid omdat er iets vies op zat.” “Juf, hij lust zijn ei niet (nee, dat snap ik want er zitten ondefinieerbare bruine strepen op) en nou eet ik het maar op want anders mag hij dadelijk niet naar buiten.” “Juf…” Opeens hoor ik achter me een geluid wat ik al heel vaak heb gehoord. Ik sta oog in oog met iemand die ik niet meer herken. Zijn bril zit vol chocomel, het kan niet zo zijn dat hij nog iets ziet. De druppels vallen een voor een op zijn trui. “Mijn beker is omgevallen”, zegt hij. Ja, dat zie ik maar bedankt voor de info.


Dan pas zie ik de schade. Straaltjes chocomel druipen via de witte kastdeur naar beneden. De witte kastdeur waarachter netjes alle rapportmappen op een rijtje staan. Rapportmappen met kersverse verslagen die binnenkort mee naar huis gaan. Ouders maak je geen zorgen. De schade is beperkt.Terug naar het ritueel. Met zijn tong uit zijn mond en zo goed en zo kwaad als het kan, smeert het slachtoffer, met een geel doekje, het bruine goedje uit over de vloer. “Dat doe ik best goed hè juf?”, zegt hij zelfverzekerd.


Aan een andere tafel zit iemand met zijn beker op zijn broodtrommel te timmeren. Hij is klaar met eten en zijn geduld is op. Zijn maag is gevuld en moet nu naar buiten om te gaan rennen. Er moet straks wel weer nieuw eten in kunnen. Zitten er alleen maar jongens in de klas? Eh nee, we hebben ook meisjes, maar ik zie nu dat dit verhaal vooral over jongens gaat.  Wie heeft er eigenlijk bedacht dat kleutermannen aan een tafel moeten zitten om te eten? Dat kan toch best anders? En de dames? Zij hebben dan gewoon weer tijd om zelf te gaan eten. Toch eens uitproberen...


Ontspullen

Aarzelend steekt de vrouw haar hoofd door het kiertje van de voordeur. Ze heeft duidelijk niet op ons gerekend. Ze vraagt ons verontschuldigend om Engels te praten maar dat is ook niet de taal die ze van thuis heeft meegekregen. Aan de overkant staat een makelaar-achtige man een beetje bij zijn auto te drentelen. Ze laat ons binnen en begint als een bezetene op te ruimen. Ze grist een rijtje was van de radiator en de hond moet in de hal. Dan gaat de bel. De makelaar heeft zich een klein beetje vergist in het nummer. Het witte huis aan de overkant, duidelijk van een andere prijscategorie, staat ook te koop. We mogen toch kijken.


Het eerste huis wat we bezichtigen is er een in de serie: ‘daar-moet-je-doorheen-kijken’. “Het is een projectje”, zegt de man en dit is niet de eerste keer dat hij dat zegt. “Gooi er zeventig mille tegenaan en je hebt een prachtige plek. Ik zie mogelijkheden!” Natuurlijk ziet hij mogelijkheden, en hij ziet zijn portemonnee steeds dikker worden. Ik vind het nogal wat, dat ik overal maar doorheen moet kijken. Zo ook bij het witte huis aan de overkant. “We zijn er nou toch. Kijk, smaak is een ding maar wederom een heleboel elementen om een smaakvol huis te maken.” Vast, maar ik word bijna depressief van de gemarmerde vensterbanken en de badkamer zonder bad.


Na wat over en weer getwijfel spelen we  op safe. Eerst verkopen, dan kopen. En dat betekent: opruimen. Heel veel opruimen en netjes maken. En ja ik wil ook best wat meer ruimte en nu de rente laag is moeten we onze kans grijpen..blablablablabla. Opruimen dus. Jezus wat hebben we veel spullen. En omdat oma Mini pas is overleden hebben we nog meer spullen. Spullen met emotionele waarde. Maar gas erop. Houten varken die voor haar als waakhond dienst deed in de kamer. Wat moeten we er toch mee? Wacht. Boeken. Thrillers die ik zo eng vond dat ik er niet van kon slapen? Wil ik die echt nog hebben? Weg ermee.


“Mama, wat zit er in dit tasje?”, vraagt mijn dochter. “Ow, een dood dier.”, antwoord ik, zonder na te denken, terwijl ik bijna op mijn kop tussen de verkleedkleren zit. “Wat?”, zegt ze verontwaardigd. Mijn zoon is ook meteen van de partij. Tergend langzaam haal ik het, van een collega gekregen, nertsbontje uit zijn verblijf. Gillend van afschuw vliegen ze elkaar in de armen. Mijn zoon houdt er zelfs zijn oren van dicht. Sorry collega, ik vind het ook te gruwelijk voor woorden. Vooral die kop in het midden en de hangende pootjes niet te vergeten…


Dozen vol verlaten het huis. Heerlijk dat ontspullen. Heb nu alleen nog maar leuke verkleedkleren. Durf het bijna hardop uit te spreken: Ons huis komt te koop. Op naar een ander fijn plekje. Wat ik met dat waakvarken heb gedaan? Hij staat verdekt opgesteld. Achter de nepbontjas waar ik ook nog geen afscheid van kan nemen.


Disco

Tijd voor een avondje zorgeloos vermaak. Kinderen bij opa en pas de volgende ochtend op te halen. “We gaan trouwens met een discobus.”, zegt mijn lief tussen de soep en de aardappels door. Zijn stem klinkt neutraal waardoor er bij mij nog geen alarmbellen gaan rinkelen. Lekker muziekje en een bar. Fijn. Wat ooit begon als nieuwjaarsreceptie voor vrienden, met aanhang,  is inmiddels gepromoveerd tot een complete avond uit.


De discobus zal ons in anderhalf uur tijd naar Utrecht brengen waar we mogen gaan genieten van ‘Dinner in Motion’ (zoek maar even op wat dat is). Dat is best lang als je bedenkt dat het normaal vijftig minuten duurt. Ik snap het al. We gaan natuurlijk onderweg ergens stoppen om echt te kunnen dansen. Er zit een dansvloer in die bus en die moet gebruikt worden. Dat kan natuurlijk niet als je rijdt. Stom dat ik dat niet meteen doorhad.


De eerste aanblik van de bus is niet meteen hoe ik het me had voorgesteld. Hij is vooral zwart met witte letters. ‘Partybus’ staat erop en is zeker gebruikt om jongeren, die het comazuipen graag de eerste minuut willen laten ingaan, (en ik vrees toch echt dat wij daar niet (meer) bijhoren) naar Lloret de Mar te brengen. Bij de eerste blik ín de bus moet ik al bijna kotsen. Ik heb nog geen druppel alcohol gedronken, geen drugs gebruikt en het stinkt er ook niet naar rotte eieren. Het zijn de lichteffecten die me zorgen baren. Gelukkig meerdere dames met mij.


Dan komt de chauffeur naar buiten. Hij lijkt meer op een postbode of een magazijnchef. Zeker niet op de bestuurder van een partybus. Hoe die er dan wel uitzien weet ik ook niet precies maar niet zo. Deze chauffeur, met oversized jas, gele bergschoenen en een bril uit de verkleedkist, heeft een bezorgde blik in zijn ogen. Later zal blijken waarom. Hij heeft zijn vrije zaterdagavond hiervoor opgeofferd, gok ik. Die andere chauf, kon opeens vanavond niet. Later zal blijken waarom.


In hoog tempo komen er blikjes bier en flessen prosecco tevoorschijn. De vrouwen zitten, de mannen staan, of hangen. De bus is amper onderweg of de muziek stopt ermee en is het pikdonker. Gelukkig doen de TL-lampen het later wel weer. Gezellig. De bezorgde blik van de chauffeur is verdubbeld. ‘Dit hebben deze vijfendertigplussers (en hoger) niet gewild’ , zie ik hem koortsachtig denken. Zo staan we een half uur later stil bij De Lucht. Utrecht is ver weg zo. Natuurlijk krijgt hij zijn disco niet meer aan de praat. Erger nog. De halve deur hangt eruit en krijgt een van de heren een door de ruimte vliegende scharnier tegen zijn kin.


Tijd voor Dinner. In motion. Prachtige show en lekker eten. Dat mag gezegd. Maar wel een show met lichteffecten. Veel lichteffecten, hier en daar wat 3d en nog een beetje drank. Ik zet me schrap en laat het over me heen komen. We hebben straks het toetje nog: lekker met de Partybus naar huis!





Muziek

“Oude Jan en jonge Jan die gingen samen pompen, oude Jan die brak zijn been en jonge Jan zijn klompen.” zingt de overenthousiaste muziekleraar, die ook geestelijke stromingen geeft, met EO-glimlach. Ik zit net een paar weken op de Pabo en het is de bedoeling dat ik dit lied, met dubieuze tekst (wat moet je in godsnaam allemaal uithalen als je je klompen wil breken?), samen met mijn klasgenoten, na ga zingen. Je zou verwachten dat mensen die voor de Pabo kiezen dit moeiteloos en zonder schaamte kunnen doen maar niets is minder waar.


Nog zie ik de mannen ongelukkig, met hun handen onverschillig in hun zakken, het ‘lied’ na brommen. En ook bij de dames bespeur ik weinig enthousiasme. Het kan zeker erger: “Zoem zoem, zoem zoem, een bijtje zoekt een bloem, een bijtje zoekt een honingbloem, zoem, zoem zoem.” Geloof me er zijn hippere liedjes te bedenken, ook voor kleuters! En geloof me, het heeft niets bijgedragen aan het muziekonderwijs dat gegeven wordt. Helaas. Misschien hebben oude Jan én jonge Jan wel het tegenovergestelde bereikt.


Jaren later zit ik met mijn neus bovenop de gitaarles van mijn zoon. De juf heeft ontdekt dat mama ook gitaar speelt. Dat is handig voor haar want dan weet ze zeker dat er thuis geoefend gaat worden. Juf is lichtelijk streng maar heeft een grote klik met zoonlief. Zoonlief heeft ook een grote klik met zijn gitaar en dat is fijn want de lessen zijn zeg maar niet heel goedkoop. “Wat ben jij een handig ventje”, zegt ze goedkeurend als hij handig met zijn vingers over de snaren beweegt. Hij straalt, ik ook, achter mijn aantekeningenboekje waar ik alles nauwkeurig opschrijf. Ik wil natuurlijk ook een goede beurt maken bij juf.


Dan ontdekt juf ook nog dat ik zelf ook voor de klas sta. Ze vertelt tot haar spijt dat kinderen tegenwoordig geen liedjes meer kennen. Jep! I know. Gelukkig zingen mijn kleuters nog veel liedjes én hebben wij op school nog een echte muziekjuf maar ik weet hoe droevig het gesteld is met de muziek. Na een les of drie zijn de eerste liedjes aan de beurt. Liedjes met do-re-mi erin. Juf geeft hoopvol een blaadje met teksten aan mij. “Wil jij ze aan hem leren? Maar natuurlijk juf, ik wil tenslotte een goede beurt maken. Aha, ‘Mieke heeft een lammetje’. Geen muziekles zonder deze hit.


Een stukje verder op het papier, ik weet niet wat ik zie! Ze zijn gewoon van de partij. Oude Jan en jonge Jan! Heerlijk. Nu pas zie ik de symboliek van deze tekst. Oude Jan en jonge jan die maken het samen wel! Wat er ook gebeurt. En dus oefenen wij elke avond samen trouw, jonge Jan en ik. Wat een plezier als hij weer een stapje maakt. (en ik ook want ik leer nu echt noten lezen, dat had je niet gedacht hè ‘mister EO glimlach’?) Dat klinkt als goede muziek in onze oren...



Raak

‘There’s a crack in everything. That’s how the light gets in’. lees ik in de Happinez. Ik zit in de wachtkamer, te wachten, wat anders maar ik wacht nu toch zeker al veertig minuten. Nou heb ik best veel geduld en de reden dat ik hier zit is nog beter leren om op tijd rust te nemen. Ze noemen het ademhalingstherapie en had mij een jaar geleden gezegd dat ik daar iets aan zou hebben dan zou ik een keer glimlachend nee hebben geschud. Het is veel meer dan het doet vermoeden en het is fijn. Dus ga ik netjes om de paar weken zitten wachten.


Het ultieme rust-zoek gevoel vind je ook altijd in de Happinez, tenminste dat zou de bedoeling moeten zijn maar bij mij werkt averechts. Ik krijg het er altijd een beetje van op mijn heupen.  Stilte-retraites mét corvee in het klooster...ik weet het niet. Een uur stilzitten op een bankje in het bos en denken aan NIETS. Nee toch? Ik doe hard mijn best en loop vaak het bos in. Ik zie daar echt wel hoe zonnestralen door de bomen schijnen. Het is mooi en fijn dus ik doe het.


Ik ben blij dat de tekst afkomstig is van Leonard Cohen. Ik wacht nog even verder maar dan besluit ik toch maar eens te vragen of ze mij vergeten zijn. Er blijkt iets niet goed te zijn met de agenda. Niet mijn fout. Duizend excuses. Geeft niets. There’s a crack in everything!  Heb nu in ieder geval deze tekst gevonden. Jammer dat ik niet even diep heb kunnen ademhalen om het liedje voor de crematie van de oma van mijn lief wat zekerder te kunnen zingen.


Thuis oefen ik nog maar een keer. Bij de laatste regel zit er opeens een roodborstje voor het raam. “Het is goed meidje”, zegt de stem van mijn eigen, al jaren geleden overleden oma, in mijn hoofd. Ik zie het roodborstje nog zitten, op haar begrafenis. Ik schiet ervan vol maar het lukt me om diep adem te halen. That’s how the light gets in.


Het liedje lukt, voor mijn liefkes. Fijn. Een tijdje later lopen we met z’n allen met oma’s bloemstuk naar de plek waar haar dierbaren liggen. De plek waar zij straks ook uitgestrooid zal worden. Opeens blijf ik met mijn hak in een soort konijnenhol hangen en zak ik, alsof ik de wanhoop nabij ben, op mijn knieen in het gras, vlakbij een hoopje as. Heerlijk. There is a crack...


“Vreedzaam is oma ingeslapen.” “Dat zei mijn juf, bij dictee, maar dat had ze beter niet kunnen doen” zegt mijn dochter. “Veel te verdrietig.” Ze is er duidelijk nog niet klaar mee. “Maar nu weet ik in ieder geval wel wat vreedzaam is.” Zoonlief komt erbij zitten met zijn gitaar. Braaf oefent hij zijn huiswerk. Professioneel bewegen zijn vingers over de snaren. Het ontroert me. Waarom weet ik ook niet precies. That’s how the light gets in.


Bobine

Met de factuur in mijn hand loop ik naar buiten. Ik heb een hele dure aankoop gedaan en moet toch nog even slikken. Soms moet je gewoon iets duurs aanschaffen omdat je anders niets meer aan het grotere geheel hebt. Ik heb een Bobine gekocht, of eigenlijk een ‘Bobine-Gallerij’ want dat staat, als volledige omschrijving op mijn factuur. Of ie mooi is? Geen idee want ik heb hem niet gezien. Het klinkt toch prachtig? ‘Bobine-Gallerij’. Daar heb je gewoon veel geld voor over. Daar kun je goed mee voor de dag komen. Ik weet ook wel dat galerij maar met één ‘L’ moet maar de verkoper maakt zich vast niet druk over spellingcategorieën.


Ik heb een gruwelijke hekel aan het uitgeven van grote bedragen aan spullen of diensten die je niet ziet. Soms koop je iets duurs waar je heel blij van wordt. Maar ik twijfel toch nog een beetje over mijn Bobine. Niemand gaat zeggen: “Heb je een nieuwe Bobine? Staat je goed!” Ik kan hem sowieso aan niemand laten zien en terugbrengen kan ook niet. Incasseren dus, die financiële tegenslag, niet zeuren. Geniet er nou maar gewoon van!


We hebben trouwens ook nieuwe bougies. Ook al zo’n mooi woord. Klinkt als iets wat je goed kunt gebruiken bij een romantische avond. Of stouter. Dat je op het laatst ‘bougies’ op je wangen hebt. Helaas. Zonder bougies gaat mijn bobine het ook niet doen. En andersom. Toch eens even kijken wat het precies is. Een bobine levert hoogspanning zodat er vonken ontstaan in de bougies. Toch romantiek dus, of stouter. Er zit gewoon een compleet nieuw verliefd stel in onze auto! Wie is dan het mannetje? Levert hij de hoogspanning of alleen de vonken? Mannen? Zeg het maar.


“Wát moeten we betalen?”, zegt mijn dochter die al meer dan een uur aan de leestafel, kruiswoordpuzzels zit te ontwerpen. “Kunnen we dan nog wel boodschappen doen?”, vraagt ze bezorgd als de administratie monteur (zo een met een beige overhemd, een spencer en honingdrop- schoenen) het bedrag zonder blikken of blozen nog maar eens herhaalt. “Ja, mevrouw, u kunt ook besluiten om het niet te laten maken maar dan gaat het van kwaad tot erger.” Ik ben benieuwd wat hij precies bedoelt, en ook of al die onderdelen nou echt kapot zijn maar daar wil ik verder niet over nadenken. Ik zie mezelf al zitten in een auto die schokkend tot stilstand is gekomen. Rook uit de motorkap. Nog grotere bedragen voor iets wat je niet ziet.


Dan valt mijn oog op de omschrijving van mijn zojuist verholpen probleem. ‘Ook doet de auto stoten bij optrekken.’ Ahhhhh lief hè? De auto doet stoten. De administratie monteur (uit de categorie: keurig bloesje, spitse schoenen, verleidelijke autoverkopersglimlach en ‘had mijn zoon kunnen zijn’.) die dit getypt heeft,  heeft duidelijk ook niet heel goed opgelet bij Taal. Wat maakt het uit. De auto doet niet meer stoten en ik ben de gelukkige eigenaar geworden van een prachtig duo!







2016

Niet achterom kijken. Gewoon doorgaan. Steeds als ik bij mij thuis op de wc zit (nee, ik heb het niet over dat achterom kijken, ik hoop dat mijn kinderen dat, als ze ergens anders naar de wc zijn geweest, wél doen, maar dat terzijde) kijk ik met een glimlach naar de sticker met een uitspraak van Gerard van Maasakkers: ‘Spijt, sund van de tijd!’ Het klopt. Bovendien, als ik het wel doe, achterom kijken, ben ik zo’n sentimenteel ei dat er meteen tranen over mijn wangen rollen.


En toch, zo in de laatste week van het jaar, ontkom ik er niet aan. 2016 in steekwoorden. In willekeurige volgorde. Overgrootoma, ziekenhuis, half dood, toch niet. Schoonvader, zware hartoperatie, huppelend het ziekenhuis uit. Lief, auto, botsing, niet helemaal bruikbaar meer. Italië, Sofia, Denemarken, Portugal. Mannen naar Amsterdam met engeltje op hun schouder. Klas met zevenenveertig kleuters, voorstelling in de Kattendans. Operatie op 5 december.


Valt eigenlijk toch wel mee als ik het zo bekijk. Ja ja natuurlijk. Ambulance, ziekenhuis, nachtje blijven, niet slapen. Die gebeurtenis heeft zijn sporen wel achter gelaten. Vooral omdat mijn schatjes mij half gaar op de grond hebben zien liggen. Vooral omdat ik vorige week pas hoorde: “Ja, toen stond Tibbe nog te huilen in de tuin”. Vreselijk. Niet te veel achterom kijken dus. Doorgaan en van andere mensen horen dat je RUST moet nemen. En kiezen. Niet alles moet, niet alles kan. Dus.


Vrijdag 23 december. Topfeestje van het werk van mijn lief. Meer dan tweeduizend mensen in de Deventer schouwburg. Biertje in mijn hand. Voor mij staan de Memphis Maniacs zo hard te rocken dat ik mezelf weer zie staan, jaren geleden op een festival. Zelfde gevoel van vrijheid. Bijkomend voordeel: ze spelen covers die ik allemaal mee kan zingen. Goedkeurende blik van de zanger, die zeker de stempel ADHD heeft gekregen, maar wat een vette band! Over een half uur, in een andere zaal: Miss Montreal. Mag ik niet missen. Ik vind haar leuk en grappig en haar liedjes raken me altijd. En dan, zanger springt van het podium, geeft mij een vette knipoog en een klopje op mijn schouder. Kiezen dus en dat betekent hier blijven. Zonder spijt, want das sund van de tijd. Dus.


2017. Voor allemaal: op tijd een beetje meer rust. Op tijd het bos in, ook als het regent. Of met een muziekje op de bank. Of wat je wil. Zie jezelf weer staan, jaren geleden op een festival! X


Novasure

Nee, ik ga niet vertellen wat dat is. Anders verlies ik dadelijk een of meerdere van mijn trouwe en gewaardeerde (mannelijke) lezers. Ik wil niet hebben dat zij onpasselijk worden. Als je goed hebt opgelet weet je het toch wel. Letterlijk: nieuwe zekerheid, en laten we het daar maar op houden.


Ik doe mee aan een onderzoek. Vrijwillig, dat wel maar het voelt toch als een soort matennaaierij als ik nee zou zeggen. Niet dat ik dokters of medisch wetenschappers als mijn vrienden beschouw maar een deel van mijn schoonfamilie zit in het vak en ja, waarom ook niet. Het zou me minder pijn op kunnen leveren. Jammer dat me dat nou net het minste boeit. Ziekenhuizen, injecties en bloed. Of erger nog een infuus. Het mag duidelijk zijn: BAH!


Voor de behandeling begint, laat een aardig meisje, hoe oud zal ze zijn, mij een kaartje zien met daarop vijf gedrochten van emoticons. Ik ben er niet zeker van of ze opeenvolgend zijn wat pret en ellende betreft. “Je zult dadelijk denken, ga weg met dat kaartje, daar heb zo meteen echt geen zin in!” , zegt ze vriendelijk. “Probeer er dan toch maar één te kiezen die jou het beste lijkt.” Ik zal maar niet zeggen dat ik nu al denk dat de mislukte emoticons me gestolen kunnen worden.


Verder wordt er straks op verschillende momenten aan mij gevraagd of de pijn te verdragen is. Een cijfer van één t/m tien, waarbij één t/m vier draaglijk zijn en vijf t/m tien ondraaglijk. Het zal wel aan mij liggen maar erger dan ondraaglijk kan toch helemaal niet. “We zullen alles stap voor stap uitleggen!”, zegt de dokter, ook al zo vriendelijk, terwijl er weer iemand anders hartplakkers op mijn lijf plakt “Dat hoeft niet hoor”, zeg ik blijkbaar te zacht want ik hoor dingen als injectienaald en meekijken op scherm. “Kijk hier zie je de ingang, met mooie ribbelige structuren.” Ik zie smerige bloedvaten van mezelf en ik denk dat het tijd is om weg te kijken. Mijn hartslag verraadt dat dit geen slecht idee is.


Prikken, krampen en gedoe met apparaten. Dan het kaartje. Ik moet kiezen. Het eerste gezichtje lacht, maar wel als een boer met kiespijn.  Het tweede gezichtje trekt een soort van grimas, alsof er iemand op zijn teen is gaan staan en de derde heeft een streepmond, moet denk ik iets neutraals voorstellen maar het is meer teleurstelling wat ik zie. Teleurstelling omdat hij de verkeerde cd  heeft gekregen. De volgende is duidelijk not amused. Hij is denk ik zijn lievelingsspijkerbroek kwijt, net nu hij een belangrijke presentatie moet geven. En die laatste, is er echt slecht aan toe. Verlaten door alles en iedereen. Ik weet niet wat ik moet kiezen. De juiste zit er niet bij. Ik kies iets in het midden maar ik weet niet of dit iets zal toevoegen aan het onderzoek. Ga toch weg denk ik. Inderdaad.


Beroerde nacht, stoned van de pijnstillers, ff bijkomen en dan: nieuwe zekerheid! Heerlijk.  



Schoolvoorstelling

‘Ouders gevraagd voor de herfstwandeling!’ Superleuk! Met een groepje kinderen, waaronder je eigen kind, de natuur in en dan allerlei weetjes vertellen. Enorm ontspannend! Bij dit soort oproepjes wil ik altijd het liefst zelf áchter een boom gaan zitten of net doen of ik het niet gelezen heb. Ah jammer, net te laat. Ik ben heel blij dat andere ouders dit altijd, met veel overgave, wel doen want ik wil dit mijn kinderen zeker niet ontnemen maar ik eh….(hier fluisteren) vind het gewoon niet zo leuk om te doen.


Zwetend zie ik mezelf voortploeteren door de modder met een groep (ach, zij is zelf toch ook juf, dan kunnen we die en die wel bij haar in het groepje zetten) voornamelijk jongens en meisjes van het type: ‘ik ben niet op mijn mondje gevallen’ aangevuld met mijn zoon, die zich dan ook als een aap gaat gedragen of mijn dochter, die de boel een beetje gaat compenseren en mij blikken toewerpt die zoveel betekenen als: ‘je doet het prima mama!’, of erger nog: ‘rustig blijven mama!’


Natuurlijk wil ik wel helpen op school, anders kunnen er veel dingen niet doorgaan en dat wil ik ook niet. Ik word wel blij van: ‘wie wil er kinderen naar een voorstelling brengen?’ Ja hoor, kom maar op. Moeders not allowed. I know. Nog zie ik de blikken van de moeders die ik vriendelijk doch dringend gevraagd heb om de zaal te verlaten. Jaren geleden, toen ik nog op een hele grote school werkte met mensen van, zeg maar, allerlei pluimage. Ze hadden in tien minuten meer herrie gemaakt dan de kinderen bij elkaar.


Met drie keurige meisjes in mijn auto ben ik op weg naar een voorstelling van Peter en de Wolf. Ze spreken hun verwachtingen uit en nomineren een klasgenoot die straks ‘Saai!’ zal gaan roepen. Toch jammer dat ik niet mee naar binnen mag. De juf ‘sneakt’ mij, omdat ze weet dat ik het écht leuk vind, op het allerlaatst toch nog mee. Yes!


Ik word meteen gegrepen door de manier waarop ze het verhaal voor kinderen bewerkt hebben. Prokofiev komt binnen. Niet alleen bij mij. Het is voornamelijk muisstil in de zaal. En wat een fijne rol heb ik. Ik hoef niemand, die net iets te hard klapt of bijna van zijn stoel af valt te corrigeren. Ik hoef geen raar gezicht te trekken bij de vraag: “Juf, mag ik mijn schoenen uit doen?” Ik kan zelfs af en toe stiekem naar mijn dochter kijken. Haar dromerige blik verraadt dat ze helemaal in het verhaal zit.


Mooie interactie, theaterdingen die wij ook nog kunnen gebruiken. “Saai”, roept er een (en de meisjes krijgen geen gelijk wat de persoon betreft) als hij de zaal verlaat. Hij liegt. Pure groepsdruk. Hij vond het prachtig, zeker toen een van de muzikanten de wolf wilde doodschieten met een waterpistool. Dankjewel dat ik mee mocht! Nog ouders nodig?


Blok

Ik ben vandaag als een blok gevallen. Nou ben ik wel vaker gevallen, ook als een blok maar dit is anders. Dit is pure verleiding. Zo’n blik zie je gewoon niet elke dag. Dat ik niet anders kan dan (ooit) op deze verleiding in te gaan wordt ook nog verstevigd door een ONaangename ontmoeting met een andere soort. Ik doe mijn best, sinds deze andere soort ook deel uitmaakt van mijn familie en vrienden maar dit exemplaar vertegenwoordigt zijn soortgenoten niet heel voordelig. Hij springt grommend tegen me op en kijkt me arrogant aan. Hij zegt nog net niet: “Waar is jouw hond gvd, ik wil vechten!”


Mijn kinderen zeuren zich te pletter om een huisdier. Argumenten genoeg om het niet te doen. In het kort: ze stinken, ze maken rommel, slopen je spullen, ze kosten veel geld, je kunt niet meer op vakantie en ze gaan DOOD, zielig hè? “Aaaaaaaahhhhh, mogen wij please een huisdier, dan zullen wij ervoor zorgen!”  Als we ooit overstag gaan wordt het een poes (ja, een vrouwtje want op territorial pissing zitten we niet te wachten). Nee ik wil geen vis, (suf) en geen hamsterachtigen (nachtdieren), ook geen konijn (knaagt de kabels kapot en maakt nauwelijks contact). Don’t worry schoonzusje, het is nog niet zo ver…


Op mijn werk hebben we tegenwoordig een schoolpoes. Ik kan er niet tegen als poezen smekend naar me kijken, in de regen. Ze is van de buren en ze is gewend aan kinderen. Voor ik het in de gaten heb, heb ik haar al binnen gelaten. Ze zoekt een plekje in de poppenhoek, lekker knus. Even trainen en ze kan, net als Siepie van Jip en Janneke, rondgereden worden in een jurkje, in de poppenwagen.


Er speelt zich een dilemma af in mijn hoofd. Al bijna tien jaar ben ik poesloos. Haaruitval, kots op de net opnieuw beklede stoel, een naar zwarte bessen stinkende kattenbak, afgekrabde banken, want ja een krabpaal is voor mietjes, wat zijn dit voor brokjes?, die eet ik niet, wat een droge meuk, doe mij maar iets van nat vlees uit een zakje, en zo kan ik nog wel even verder gaan. Dus nee jongens er komt geen poes! Een blok aan ons been wordt dat.


Maar ja ik ben dus als een blok gevallen. Verliefd. Nietsvermoedend liep ik vanmorgen, toen ik de kinderen naar school had gebracht naar huis. En daar zat ze, een minipoes, voor het raam, rood met wit, hooguit twee maanden oud. Ik durf te zweren dat ze naar me glimlachte. Het smelten van binnen was van een ander kaliber dan alleen maar: Aaahhh wat lief! Leuk voor een ander. Dit was (en ja ik zal fluisteren) een soort van ‘ik wil een baby’ maar dan anders. Dus-nee-jongens-er-komt-(nog)-geen-p-...oes.

Specialistenbezoek

“Wa denkte, of ik er tegenop zie?”, zegt de man geïrriteerd tegen zijn vrouw. “Ik moet dadelijk in mijn blote sjarrel tegenover die dokter gaan staan.”  Hij zegt het echt, niet al te hard maar toch nog verstaanbaar. Ze lopen achter mij en zijn, net als ik op weg naar een dokter die ergens in gespecialiseerd is, meestal in één specifiek lichaamsdeel. Nou wil ik niet zeggen dat dat van mij erger is en mannen jullie hoeven je niet te verdedigen en ik hou echt van jullie maar ik denk toch echt dat mannen het in het voortplantingsproces makkelijker hebben dan vrouwen.


Niet dat ik plannen heb om me voort te planten maar ik kan het nog wel, mocht ik me bedenken. Mocht de babykoorts toeslaan. Al dertig jaar kan het trouwens. Al dertig keer twaalf keer, min twee keer negen maanden, is meer dan driehonderd keer heb ik daarvoor mogen bloeden. Ja hoor mannen, jullie mogen hier al best afhaken, geeft niks. En toch minstens tweehonderd keer daarvan heb ik mogen verrekken van de pijn. Nog steeds hoor ik de stem van mijn oma zeggen terwijl ik met hevige buikkrampen in elkaar gedoken op een picknickplaats zit. “Wilde dan misschien een krentenbolleke mee ei?” ‘MMMM ja, dat lijkt me heerlijk, zeker nu!’


Licht gespannen en met twee heftige pijnstillers in mijn maag loop ik naar de balie. Waarom ik mezelf moet beschermen tegen pijn is me niet helemaal duidelijk. Een inwendige echo is niet leuk maar dat het zeer doet kan ik niet zeggen. Een eendenbek (wat een belachelijk woord) is zeker niet leuk maar pijn? Dus stel ik me voor dat ze met groter geschut aan zullen komen. Een toekanbek of een pelikanenbek of doen ze dat tegenwoordig met krokodillen?


Een kwartier te laat krijg ik een ietwat slap en nog niet helemaal zelfverzekerd handje van, laat ik hem Jaap noemen, Jaap de Co, en een stevige hand van zijn meerdere, een vriendelijke (vrouwelijke) gynaecoloog. Jaap mag de vragen stellen. Jaap is nog piepjong en had mijn zoon kunnen zijn. Hij stelt mij vragen waarvan ik me kan voorstellen dat hij daar zweet van onder zijn oksels krijgt. Vragen waarbij ik me afvraag of hij ze zelf al ooit in praktijk heeft gebracht.


Dan mag Jaap meekijken. Ik krijg een discreet handdoekje zodat het niet te gênant wordt. Het kan niet zo zijn dat hij heel veel ziet. Ik weet niet of ik blijer ben voor hem dan voor mezelf. Professioneel gaat zijn blik naar het scherm. Gelukkig, ik ben nog goed! Geen dierenbek nodig. Geen sporen van DE OVERGANG (want daar doe ik gewoon niet aan mee),  en geen rare dingen maar wel iets wat even opgelost moet worden. Elke maand pijn is niet nodig. Daarom krijg ik dit jaar van Sinterklaas een schone baarmoeder. Fijn hè.


Wat is erger..een mannelijke Co die zich keurig gedraagt of een vrouwelijke Co die aan zijn sjarrel moet voelen? Ik begrijp jullie wel hoor!


Maria

“Krijgen we dan ook van die gekleurde doorzichtige blokjes bij het eten?”, zegt onze zoon als hij de reispapieren van Portugal op tafel ziet liggen. Gekleurde, doorzichtige, drillende blokjes waar ik kippenvel van krijg. Gekleurde, doorzichtige, drillende, mierzoete blokjes: Jelly. Hij heeft het onthouden van twee jaar geleden en kan niet wachten.


Ik ben altijd een beetje allergisch voor ‘all inclusive buffetten’. Spookbeelden van waggelende obesitas figuren die kwijlend langs de gerechten gaan en hun borden vol  ‘laaien’ met suikers en koolhydraten en dat achteloos naar binnen werken, of erger nog, de helft laten liggen om aan de volgende ronde te beginnen. Ik denk dat we het dit jaar met een bescheiden ‘half pension’ ook wel redden.


Als we, vrij laat, in ons hotel aankomen mogen we meteen aanschuiven. Half slapend en spierwit van vermoeidheid pakt onze zoon een bord van de stapel. Hij scharrelt wat besluiteloos rond totdat hij ontdekt waar hij voor gekomen is. In alle kleuren lachen ze hem toe.Hij neemt ze allemaal. Ik besluit te negeren dat hij met een toetje begint. Hij prikt een blokje aan zijn vork. In zijn  ogen zie ik iets twinkelen. Hij stopt de traktatie in zijn mond en begint te kauwen. Zijn gezicht betrekt. Ik voel zijn illusie uit elkaar spatten. Ik proef, bijna zelf, de smerige gelatine die hij  aan het opeten is. Ik vind het verstandig om maar even met mijn eigen eten bezig te zijn. Dapper eet hij er nog een maar dan kan hij echt niet meer. Ik zie het voor vandaag door de vingers.


De volgende ochtend begint hij opnieuw en klaarwakker aan zijn ontdekkingstocht. Meteen ontmoet hij een nieuwe liefde. Haar naam is Maria, haar vorm is rond en haar smaak is zoet. Ze blijkt overal bij te passen. Op een boterham, op een pannenkoek en bij een bordje fruit. Omdat hij de yoghurt niet kan vinden, maar wel zin heeft in chocolade-cornflakes, pakt hij maar een schaaltje melk. Melk die hij thuis nooit drinkt omdat hij er kippenvel van krijgt, maar ja ,bij gebrek aan beter. De eerste hap doet hem zichtbaar walgen maar de afspraak: ‘Wat je opschept, eet je op’, dwingt hem tot een onhaalbare missie.


‘s Avonds zie ik onze dochter rondlopen met een bordje groente in de vorm van een gezicht, gevolgd door haar nicht met identiek gevuld bord, en identiek grote glimlach. Daarachter, op gepaste afstand, onze zoon. Zijn glimlach wat mysterieuzer, maar zeker ook tevreden. In zijn handen een bord met spaghetti en friet, bedekt met Maria..koekjes! “Dat heb ik goed gekozen hè mama?”, zegt hij triomfantelijk, terwijl ik een vette knipoog krijg. “Je moet dingen kiezen die je ook echt opeet en dit lust ik allemaal!” (‘dus waag het niet om er iets van te zeggen’ , denkt hij er achteraan).


‘Altijd al geweten dat Maria een helende werking heeft.’, denk ik als ik zondig zwijgend, met kleine hapjes mijn chocolademousse naar binnen werk. Misschien dat ik er volgende keer ook nog zo’n rond koekje bij neem...


Zeven

Zeven jaar, zeven kinderen op je feestje. Ik weet niet wie dat ooit bedacht heeft. Tot op zekere hoogte kan ik er wel in meegaan en het geeft duidelijkheid voor degene die vrienden moet kiezen maar ik moet er toch niet aan denken dat als ze straks zestien zijn ik met zestien pubers op pad moet.


Een jongens kinderfeest is duidelijk anders dan een meisjes kinderfeest. Onze zevenjarige zoon kiest ook twee meisjes en een bult jongens. Niet dat het helpt. De meisjes zijn nagenoeg onzichtbaar, onhoorbaar ook. Testosteron doet zijn werk zodra de mannen aankomen. Wie arriveert als eerste? Wie heeft het grootste cadeau? Wie kan op de meest onfatsoenlijke manier een cakeje naar binnen werken en vooral: wie kan het hardste brullen? Als geoefende kameleons, passen ze zich aan elkaars gedrag aan.


Te voet naar een activiteit hadden we bedacht. Met opdrachten onderweg. Nauwelijks hebben ze tijd om naar de, op jongens aangepaste opdrachten, te luisteren. Ze zijn fysiek bezig, met elkaar. Ze schieten rennend de weg op, klimmen tegen het viaduct op alsof het niets is. Had ik maar een politieuniform. Mijn lief en ik (allebei met Pabo-diploma op zak) hebben er onze handen vol aan om ze veilig op de plaats van bestemming te krijgen.


Na deel één van zijn zevende verjaardag volgt de dag zelf. De spanning is nog niet verdwenen. “Als ik nu naar bed ga”, zegt hij om zes uur op de avond van tevoren. “Dan is het eerder morgen.” Midden in de nacht roept hij: “Er gaan zo heerlijke broodjes voor mij in de oven.” Het liefst wil hij meteen zijn nieuwe Playmobil in elkaar zetten maar naar school gaan met traktatie is natuurlijk ook niet verkeerd.


Deel drie: grotemensenfeest. Als een echte kok helpt hij met koken en bakken. Niks geen wild mannetje dat zich als een kameleon aanpast aan het gedrag om hem heen. Ook niet aan het mijne. Keurig netjes haalt hij de papiertjes van de plakjes bladerdeeg, breekt hij eitjes boven een bak, zonder ook maar een stukje schaal mee te nemen. Spreekt hij er mij op aan als ik me niet helemaal aan het recept houd en roept hij: “Mama, ik vind het zo fijn om met jou te bakken!”  


Dan ontdekt hij het cadeau van opa in de kast. Opeens is hij helemaal door het dolle heen. Lijkt het alsof hij zijn pilletje is vergeten. Hij moet nog uren wachten voordat hij het open mag maken. Zit hij als een clown aan tafel een eitje te eten en moet zijn zus eraan geloven. Ach ja, het is een jongen, en hij is pas zeven...


Prik

In de brievenbus zit een brief voor onze dochter. GGD staat erop. Dat kan maar één ding betekenen: inentingen. Meteen voel ik een shotje adrenaline door mijn lijf gaan, mijn ademhaling versnelt. Sinds ik in het ziekenhuis heb gelegen weet ik dat hier een term voor bestaat. Belonefobie. Ik vind het niet bepaald een beloning.Het gaat niet om mij, maar dat maakt dus geen bal uit. Een naald is een naald. Nou is een inenting een graadje minder erg dan bloedprikken. Bloed in een buisje zien gaan is gewoon niet te doen.


“Mama, mag ik afspreken?”, vraagt ze op de dag van de prik. Vriendinnetje wil wel mee. Ik kan het me niet voorstellen maar zij smult van ziekenhuis achtige dingen. Mocht ik flauwvallen dan heb ik twee meisjes die me op kunnen rapen. Ik zie mezelf al liggen in de als hospitaal ingerichte gymzaal, na een ziekenhuis, de tweede beste plek om te zijn. Niet dat ik ook flauwval van de misselijkmakende lucht van te- lang- in- tassen -gezeten- gymschoenen maar het doet me denken aan als laatste overblijven bij het teams maken voor slagbal of handstand-overslag of borstwaartsom. (waarom??)


De man in de ijskar voor de sporthal heeft vanavond vast en zeker ook een lamme arm. Als we binnenkomen roept een meisje: “het is daarbinnen echt niet leuk!” Mijn dappere meisje geeft geen kik. Haar blik op oneindig. Ze heeft dit gen niet overgenomen van mij. Ze vindt het spannend maar that’s it. Dan treffen we een moeder met boze blik. Aan haar arm bungelt een krijsend en stampvoetend jongetje. “Dan maar geen prik, verrek maar!”, zegt ze. “Als gij hier gaat lopen janken, dan gaan we gewoon naar huis.”  De volgende moeder praat een stuk netter. “Als jij zometeen niet huilt, mag je straks een grote doos Playmobil uitzoeken!” Oké dan. Wat een happening.


We moeten ons eerst melden bij de administratie. Achter een tafeltje zit een meisje. Verveeld checkt ze het vaccinatiebewijs. “Wanneer ben je jarig?” vraagt ze, bijna geërgerd aan mijn dochter. Vriendinnetje schiet daar behoorlijk van in de lach. “Stel je voor! Je bent bijna negen en je weet niet wanneer je verjaardag is!” Ik vind het ook een rare vraag.


We sluiten aan in de rij. Opeens stinkt het heel erg naar spruitjes. Ik krijg het warm, want dat hebben wij gegeten gisteren. “Heb jij nou weer een scheet gelaten?” vraagt de moeder voor ons aan haar zoon en ze begint met het vaccinatiebewijs voor haar neus te wapperen.  “Echt niet!”. zegt hij verongelijkt. Ze gelooft hem niet en ik ga er dan maar vanuit dat zij ook spruitjes hebben gehad.


Het is klaar voordat ik het in de gaten heb. Ik zie zelfs de naald in mijn schatje’s arm verdwijnen. Op naar de ijsjes. Eigenlijk heb ik een beloning verdiend. Ik geniet van de ijs-etende en evaluerende meisjes. Niks geen Playmobil. Hoezo last van belonefobie?

Pretpark

“Oma heeft het met haar gezicht verraden”, zegt mijn zoon in de auto als we van de verjaardag van ons mam naar huis rijden. Omdat ze vijfenzestig is geworden gaan we een dagje weg. “Het begint met een T”, zegt ze tegen haar kleinkinderen maar ze had net zo goed meteen Toverland kunnen zeggen want dat staat nu zo ongeveer op haar voorhoofd. Net als mijn oma, kan mijn moeder het niet heel lang volhouden om iets voor zich te houden.


Het blijft toch een hele happening zo’n pretpark. Hordes mensen, die zich van de ene naar de andere attractie verplaatsen. Allemaal brengen ze zichzelf mee. Al dan niet in een rugzak, maar stuk voor stuk hebben ze hun eigenaardigheden. Picknickmanden, vermomd als gereedschapskist, worden het park ingedragen. Gillende kinderen. Ook hier weer voldoende obesitas. Leggings met T-shirts, of moet ik zeggen tunieks, die te kort zijn omdat ze nou eenmaal de breedte moeten bedekken. “Kevin, hedde gij al een broodje ge-eten?” schreeuwt een oma tegen haar uit de kluiten gewassen kleinzoon die best zelf kan bepalen wanneer hij een broodje wil eten.


Nee, dan ons eigen gezelschap. De een draait er haar hand niet voor om een keurige flikflak op de balk te maken maar is toch lichtelijk in paniek bij het zien van een ronde boot met openingen, stel dat die boot in tweeën scheurt. De ander ligt bijna hyperventilerend in de nagemaakte grot van de claustrofobie en de volgende slaat de bobbaan liever over omdat er in de wachtrij een leeuw met rollende ogen te zien is.


Mijn dochter heeft oma zover gekregen dat ze meegaat in de wildwaterbaan. “Dat durf ik nog wel, die is niet zo heel hoog!” Hoog misschien niet, maar wel hard. “Mama!!!” , roept ons mam keihard tijdens de rit naar beneden. Ik ben benieuwd wat mijn oma had kunnen doen. ‘Stil maar schatje, je bent er zo.’ Drijfnat, maar met pretogen, komt mijn moeder uit de het boomstammetje.


Ik hou onze zesjarige zoon niet voor een hele grote held. Hij ligt ‘s nachts soms te roepen van angst om van alles en nog wat. Opeens heeft hij, na een nauwkeurige studie, besloten dat hij in de grote houten achtbaan wil met zijn oom. Ik geloof niet dat ik het wil zien.  Ik hoor het straks wel. De foto verraadt dat hij de hele rit zijn ogen dicht heeft geknepen maar hij kan niet uitgepraat raken van enthousiasme...kleine grens verlegd..ook voor mama.


Als de dag bijna voorbij is krijg ik, na een harde windvlaag, opeens een plastic dienblad tegen mijn lip. Ik weet niet of dit ook een activiteit is maar het is een ieder geval wel een attractie voor de anderen. Waarom heb ik altijd zulke achterlijke dingen? Moe maar voldaan in de auto. Heeft iedereen iets gezien/gedaan/toegestaan/gevoeld wat eigenlijk heel eng is? Goed zo, dan klopt het dat we in een pretpark zijn geweest. ´Mama!!!’ bedankt voor de leuke dag!


Ziek (2)

Huilend zit het jongetje op het mini-wctje. Zijn wimpers lijken nog langer nu ze nat zijn. Zijn grote bruine ogen schitteren nog meer dan anders. Niet van plezier of ondeugendheid deze keer maar van ellende. Of het krokodillentranen zijn moet ik nog bepalen maar mijn hart is al gesmolten. Mijn moederhart én mijn juffenhart. “Ik heb zo’n heel erge buikpijn”, zegt hij snikkend in mijn oor. Ik moet het manneke wel knuffelen. Ik geloof ik dat ik zijn mama maar ga bellen.


“Hoi met Janske, de juf van..”, dat zeg ik er steevast bij. Stel je voor dat mama even niet in de gaten heeft wie ik ben. Tsss, natuurlijk heeft die mama wel in de gaten wie ik ben. Ik kan ook zeggen: ‘met juf Janske’ maar ik ben natuurlijk niet de juf van die mama dus dat slaat ook nergens op.


Als ik een paar dagen later thuis aan het werk ben gaat de huistelefoon. Dan zijn er een paar mogelijkheden. Het is óf ons mam, óf mijn lief als ik mijn mobiel niet gehoord heb, of een bedrijf dat mij zakelijke energie wil aanbieden omdat ik tenslotte een ‘eigen bedrijf’ heb. Of ik mijn kantoor niet zakelijk wil verwarmen. Het nummer herken ik niet maar ik voel meteen dat het om een van de kinderen gaat. “Hoi met..” Ze hoeft niet verder te praten. Ik hoor meteen dat het de juf van mijn zoon is. Dat zegt ze even later ook, maar het is overbodig. Fijn om te weten dat ik de volgende keer ook maar twee woorden hoef te zeggen. ‘Wat heeft hij gedaan?’, flitst als eerste door mijn hoofd.


Als ik op school arriveer, staat hij met hangende schouders in de deuropening van de wc-tjes. Hij begint heel hard te huilen en strekt zijn armen naar mij uit, alsof hij weer vier is en ontroostbaar het voetbalveld verlaat. ‘Ik wil alleen nog maar bij jou zijn.’ Bijna zeven is hij maar nu zielig ziek. Aarzelend loop ik de klas van onze dochter binnen. Haar juf is nieuw, en in tegenstelling tot de helft van de juffen, die ik mede door mijn eigen baan goed ken, ken ik haar niet en voel ik me bezwaard. ‘Pffff, weer zo’n moeder die tijdens de les binnen komt met een onnozele opmerking.’ Ik kan moeilijk vertellen dat wij daar een sketch over hebben gemaakt en dat ik haar begrijp. Ons meisje groeit een halve meter als ze hoort dat ze alleen naar huis mag komen. Zielig voor haar broertje, fijn voor haar.


Hij slaapt de hele middag. Als hij wakker wordt zegt hij: “Zo, nu lust ik wel een appeltje met kaneel en een Fristi.” (melk met ranja). Avondeten gaat er goed in. Om 21.30 komt hij naar beneden. “Ik geloof dat ik niet kan slapen.” Hij kruipt tegen me aan en bekijkt de fotomodellen op tv, die aan de Euromast hangen. “Dat ga ik ook doen”, zegt hij stoer. ‘Huhhuh’ denk ik. En nu lekker naar bed. Tot morgen juf!

Boodschappenlijstjes

Het begint rare vormen aan te nemen. De drang naar het oprapen van boodschappenlijstjes met gevaar voor eigen leven. Een schaafplek op mijn rug, van het onder een winkelwagentje duiken en een gekneusde vinger (nee, ik heb geen dikke vingers en nee, ik kan er ook niets aan doen dat mijn handen zijn gevormd met het dna van mijn opa Huub) omdat ik ben blijven hangen tussen twee wagentjes tijdens het graaien. ‘Wat doet dat mens daar onder dat karretje?’ ‘Ze zal wel een oorbel kwijt zijn of zo.’


Vooral hanenpoten trekken mijn aandacht. Hanenpoten op een stuk afgescheurde envelop of een halve verjaardagskaart. Dan maak je de meeste kans op leuke spellingsfouten. Daarnaast zijn de keurig nette, gestructureerde lijstjes ook heerlijk. Je voelt de stress er doorheen. De energie die het kost om echt NIETS te vergeten.


Zo is daar Piet van de Schoot. Uw keukenvakman.Dat staat tenminste voorgedrukt op het briefje. Zijn vrouw doet de boodschappen. Groot slordig handschrift. Ze heeft snoeptomatjes nodig en komkomer en ook rauwkustsalade. Verder 4 Westmalle met een grote streep erdoor. Ik denk dat Piet ze niet verdiend heeft. Of deze oma, die graag woorden aan elkaar plakt. Ze moet op pad voor een ‘gids Mickey rode kool’ en ‘lever pasty inleg spinazie’ Probeer dat maar eens niet voor je te zien.


De wonderlijkste dingen zijn te koop in de supermarkt. Stofvlees, cibata, korander, chel (voor in de auto of voor in je haar?), cofi, biefie, joghert (is dat een hert dat af moet vallen?), odol (ja ik weet wat dat is, dat had oma vroeger maar ik moet dan toch aan iets anders denken), wim, kolliepads, creso noten, minola’s, speciboontjes, meusli, spuitroom, knacke, kromkom, reclame, kruimig aard niet vastkokend, schips, paard, 6/8 tomaten, douche jan, brocolie, snitsel, drap, 2 creme fraiches, lekkere kaas voor kids, pakjes drinken voor mee te nemen naar de ijsbaan, paaseieren of dergelijk voor te verstoppen (NIET TEVEEL) (zijn jullie er nog?)


Mijn verzameling kan niet groot genoeg zijn dus doe eens gek, duik eens onder een karretje. ‘Ons pap’ is al bezig voor mij. Maar ons pap heeft laatst zijn autopapieren bij mij thuis uit zijn broek laten vallen tijdens een toiletbezoek. Autopapieren in een mapje met van alles en nog wat. Inclusief een op maat geknipt, permanent, keurig geschreven boodschappenbriefje. In drie rijen staan de producten, per winkel, gesorteerd. Pap, wat is het verschil tussen kwatta en chocola? En waarom twee keer sinaasappels? Zorg maar dat je dit niet kwijtraakt. Waarom denk je dat ik zelf zonder briefje op pad ga…


Nieuwe rage: Mensen kruipen massaal onder winkelwagentjes om briefjes te pakken. Jullie weten me te vinden!