Spreekbeurt

“Ik ben mijn posters vergeten” huilt mijn 16-jarige klasgenoot die zijn spreekbeurt  doet over de Olympische Spelen. Het is de tweede keer dat hij met hoogrode wangen en het zweet in zijn handen al stotterend aan deze beproeving begint. Wij als toehoorders zitten stokstijf aan onze tafels en zweten met hem mee. Onze docent Nederlands, een toffe peer,  zit met uitgestreken gezicht aan zijn bureau.

Wat is dat toch met spreekbeurten? Ze roepen een enorme spanning op. Zelfs kinderen die woorden gebruiken die ik niet durf uit te spreken klappen dicht bij het houden van een spreekbeurt.  Wat wel bijzonder is bij dit fenomeen, is  het feit dat klasgenoten, wat voor onzin er ook moge worden uitgekraamd, altijd vol interesse luisteren naar de spreker voor de klas.  Ik ben er nog steeds  niet achter of dit is uit respect, medeleven of dat het gaat om innerlijk leedvermaak.

In alle jaren voor de klas heb ik al heel wat spreekbeurten mogen meemaken. Vaak weet je al bij het uitstallen van de attributen of het iets gaat worden of niet. Ik herinner me een serie  barbies. In het dertig minuten durende betoog komen hun namen, de namen van hun vriendinnen, hun hobby’s en lievelingseten aan bod. Het meest bijzondere is wel dat de kinderen  er daarna ook nog vragen over weten te stellen.

Vragen stellen gebeurt na afloop. De spreker zegt met een zucht van verlichting:  “dit was mijn spreekbeurt, zijn er nog vragen?” Bij spreekbeurten over dieren zijn de vragen altijd hetzelfde: Hoe oud kunnen ze worden? Wat eten ze? Hoeveel jongen kunnen ze krijgen? Hoe groot (!)kunnen ze worden? De antwoorden hebben ze of al kunnen horen tijdens de spreekbeurt zelf , of zijn van geen belang. Wie wil er nou echt weten hoe groot een konijn kan worden??Maar wat doe je als jouw vraag gesteld wordt door je voorganger? Je laat je niet kennen en verzint snel een nieuwe vraag. Deze spreekbeurt gaat over de egel. Kind: “Hoe groot kan een egel worden?” “ Ongeveer 40 centimeter!” Ander kind: “Hoe groot kunnen z’n ogen worden?” Ik word baldadig en roep: “Dat ligt eraan wat hij aan het doen is!”

De spreekbeurt der spreekbeurten is er een over koken. Dit exemplaar wordt door de leerlinge volledig uit de duim gezogen. Haar blik verraadt niets. Ze wil het doen overkomen als een degelijk voorbereidde spreekbeurt. Ze heeft verstand van zaken, denkt ze. “Hoofdstuk één” begint ze, “groenten. Er zijn verschillende soorten groenten, bijvoorbeeld komkommer en boontjes.” Hoofdstuk twee, vlees. Er zijn verschillende soorten vlees, bijvoorbeeld gehaktballen en varkenslapjes.” Een tijd lang luister ik met weinig interesse naar een willekeurige opsomming van supermarktartikelen. Opeens heeft ze me. “Hoofdstuk veertien, vis. Er zijn verschillende soorten vis, bijvoorbeeld: Spaanse visschotel!”

 

Fredje

Fredje

“Fredje, waar is mijn Fredje?” De schreeuw haalt me uit mijn slaap. Het duurt even voordat tot me doordringt wat er aan de hand is. Mijn zoon van drie begint nu hartverscheurend te huilen.  Fredje is op de grond gevallen.  Slapen is dus onmogelijk. Met één oog open graai ik onder het bed, prop Fredje in mijn zoon’s armen en zeg met  lichte ergernis in mijn stem dat hij weer fijn moet gaan slapen. Voor de duidelijkheid: Fredje is een knuffelegel, met strikjes in zijn stekels.

IMAG0515.jpg weergeven in diavoorstelling                                           

 

De egel en mijn zoon hebben een haatliefde verhouding.  Het beestje wordt overal mee naartoe gesleurd. Er wordt mee geknuffeld maar ook genadeloos mee gegooid.  We  vergeten Fredje regelmatig . Er is dan maar een oplossing, het dier moet opgehaald worden. Fredje ziet er ranzig uit, met smoezelige vlekken op zijn buik. Hij moet het regelmatig ontgelden als hij op de mat moet  omdat hij stout is geweest. Als het even kan draait het arme beest op voor de streken die mijn zoon  uithaalt.

Het is vakantie. We zitten in het vliegtuig  naar Sevilla,  samen met opa en oma. Fredje is uiteraard ook van de partij. Mijn zoon zit met de knuffel strak in zijn armen geklemd bij mijn moeder op schoot. Hij kletst honderduit om zijn vliegangst te verbergen. De steward smeert mijn moeder een beker cappuccino aan. Omdat dat nou eenmaal zijn werk is geeft hij mijn zoon een dikke knipoog en vraagt of zijn knuffel ook een naam heeft. “Fredje”, zegt mijn zoon zacht. ‘Nou en of Thijs (want dat staat op zijn naamplaatje) hij heet Fredje!’ wil ik zeggen maar ik krijg de kans niet. Mijn zoon maakt een ongecontroleerde beweging met zijn been, de cappuccino maakt een looping en de halve inhoud daalt neer op Thijs’ smetteloze stuartstrui . Heel even verdwijnt de professionele glimlach van zijn gezicht maar hij herstelt zich razendsnel. “Fredje! Gooi jij nou zo maar cappuccino over mijn trui, dat mag toch niet, foei!” 

Gillend van de lach komt mijn zoon de badkamer binnen. In zijn hand een plastic kiepwagen. In de laadbak zit Fredje of iets wat daar op lijkt. Een egel rolt zich op als hij in gevaar is maar de houding van onze Fred straalt niet bepaald comfort  uit. “Kijk mama, Fredje heeft pijn!”zegt mijn zoon lachend. “Hij moet naar het ziekenhuis.” “Dat is toch zielig?”, probeer ik nog maar mijn zoon is het daar niet mee eens. Fredje trekt weer aan het kortste eind.

 

                                                    

Erger nog moet het worden als Fredje’s dagen geteld zijn.  Als  hij vol stof onder het bed blijft liggen. Manlief en ik zullen ons bekommeren om het lot van de  voormalige steun en toeverlaat van onze zoon. Word ik op een nacht wakker gemaakt door mijn echtgenoot, badend in het zweet. “Fredje, waar is mijn Fredje?”

 

 

 

 

Schrijven

“Ik heb al verschillende korte films op mijn naam staan.”,  zegt de kale dikkerd met zwarte honingdropschoenen  vol zelfvertrouwen. Zijn air bevalt me niet. Ik heb me samen met mijn zus en een vriendin ingeschreven voor een cursus scenario schrijven. ‘Meneer van de korte film, wat doet u hier als u het al kunt?’, wil ik vragen maar dat lijkt me niet gepast bij een voorstelronde.

Zijn kapsel zit in de war, zijn blik is wazig. Hij praat binnensmonds en kijkt naar de muur achter mij.  Onze docent geeft een voorbeeld van een, volgens hem,  goed scenario, waar ik geen touw aan vast kan knopen.  Op het moment dat hij het slot prijs geeft,  komt hij niet meer bij en ben ik het spoor volledig bijster. Met het puntje van mijn tong tussen mijn tanden maak ik een beschrijving van mijn eerste personage en ik betrap mezelf erop dat de man verdacht veel op de docent lijkt.

Even later zie ik in de deur, met  raam van melkglas, een donkere vlek, een schim . Een schim die er vijf minuten geleden nog niet was.  Na een kwartier is de vlek er nog, bewegingsloos. Net op het moment dat ik mezelf ervan overtuigd heb dat het géén persoon kan zijn, zwaait de deur open. In de deuropening staat een Afrikaanse vrouw van een jaar of 50. Ze verontschuldigt zich in gebrekkig Nederlands voor het te laat komen en neemt plaats.

Mijn eerste ‘scenario’ is een feit. De Afrikaanse vrouw heeft het ook af. Ze mag beginnen met voorlezen. Ik voel een kriebel vanuit mijn navel omhoog komen. O, god, dit ga ik niet volhouden!  Ik  weet ik dat ik de slappe lach ga krijgen. “ Mijn film gaat over een sprrrookje”, zegt de vrouw vol zelfvertrouwen.  Ik bijt op mijn lip. “Een sprrrookje van Sneeuwwwwitje.” Ik bijt nog harder. “Dan zegt de moeder van Sneeuwwwwitje:  Spiegeltje spiegeltje aan die wwwwand, wwwwie is de mooiste vrouwww der wwwerel?!!” Alle moeite tevergeefs. Ik barst in lachen uit.  Ik verontschuldig me maar het kwaad is al geschied . De vrouw wordt door de docent beloond met haar bijzondere verhaal en ik weet: hier ga ik de kunst van het schrijven niet leren.

“Jullie mogen je column publiceren!” Het is tien jaar later. Eindelijk heb ik me ingeschreven voor een nieuwe schrijfcursus. De docente weet wél hoe het moet.  Ze geeft kritiek waar je wat aan hebt en leert mij een manier van schrijven waar ik op zit te wachten.  Verhalen die beschreven moeten worden vinden eindelijk hun weg naar mijn papier.

 

 

 

Lees verder...

Kamperen

“Shit!” Mijn vriend houdt de steel van de campingpan in zijn ene hand en het restant in de andere. We zijn nog maar net gearriveerd en nu is er al iets kapot. Het is begin mei en het regent. Het is te koud voor de tijd van het jaar. Onze baby van zeven maanden oud slaapt in de auto en onze peuter van tweeënhalf jaar eet bibberend een broodje in de voortent. Ik moffel de kapotte pan weg in het keukenkastje.

“Zal ik thee zetten?”, vraag ik om de moed erin te houden. Er komt geen water uit de kraan. Ik open het aanrechtkastje en ontdek een lege waterton. Ik begrijp nu ook waar het uitklaprek met wielen voor dient. Met een uitgestreken gezicht gaat mijn vriend de regen in. Het  rekje piept ontzettend. Langzaam hoor ik het geluid wegebben.

Onze baby is inmiddels wakker. Ik verschoon hem in de caravan. Op het bed ligt een gevierendeelde spin. Al een tijdje dood gok ik. Het interieur is een mengsel van bruin, beige en messing. Daar hou ik veel van. De ramen sluiten niet goed en het is er steenkoud, nu al. Per ongeluk stoot ik tegen een lampje. Het breekt af en rolt onder het bed. Ik besluit om het te laten liggen. Ah, fijn, daar is het piepende geluid weer.

Helemaal verstijfd van de kou word ik wakker. Onze baby huilt. Niet van de kou, hij heeft alle kleertjes aan die ik voor hem heb meegenomen. Hij heeft honger. Klappertandend maak ik in de voortent zijn flesje warm. ‘Dit noemen ze dan vakantie’, denk ik en ik trek nog een paar sokken aan.

Het is nog vroeg, ik hoor mijn vriend rommelen. Hij wil een ontbijtje voor ons maken. Hij klapt het keukenkastje iets te hard dicht waardoor het fotolijstje met oude zeemansknoop naar beneden knalt. Kapot. “Leg maar bij die steelpan!”, zeg ik lachend. In de ogen van mijn schat zie ik langzaam een glimlach opkomen.

We ploeteren ons door de vakantie heen en maken er het beste van, maar na een dag of vijf hebben we er genoeg van. We krijgen de kou niet meer uit onze lijven en onze kindjes zijn gebroken. Wij ook trouwens. “Wat hebben we eigenlijk voor deze caravan betaald?”, vraag ik als we in de lekker warme auto zitten. Het schurende geluid van de ruitenwissers overstemt de muziek. Mijn vriend barst in lachen uit. “Tweehonderd euro”, zegt hij vol trots. “Dat is geen geld toch?”.

 

 

 

Lees verder...