Vakantie

De column over zwemmen wat eerder dan normaal. Het is vakantie en dus even helemaal niets aan mijn hoofd. De komende weken dus ook geen columns, hooguit wat korte verhaaltjes hier en daar, op niet geplande tijden. Dan kan ik er daarna weer volop tegenaan....

Zwemmen

En dan ineens gaat Janneke gillen. “Nou”, zegt de zwemjuffrouw, “als je bang bent, moet je nog maar even wachten. Dan mag Jip weer.” “Ik was bang  hè?”, zegt Janneke. “Ja”, zegt Jip. “Jij was bang. Ik niet. Maar ik ben een man. “ Ik weet niet of Annie (MG) wel eens achter glas naar een zwemles heeft zitten kijken  maar de meeste meisjes zijn niet zo bang en ik glim van trots als mijn vijfjarige dochter zonder bandjes mag zwemmen!

Zelf ben ik niet zo zwemmerig. Ik kan het wel, en als ik op vakantie ben trek ik een paar baantjes, maar dan houdt het wel op. Misschien toch wel een overdosis gehad tijdens mijn eigen zwemles. Ik herinner me het vroege opstaan. Vóór schooltijd lagen we om 7.00 uur in het water. Zomer en winter. Ik herinner me ook de kou in mijn nog natte, naar chloor stinkende haren, en daarna de kleffe warmte in het klaslokaal. Ik denk aan het examen voor mijn B-diploma. Ik moet onder water zwemmen tot de streep. Geen streep te bekennen. Dus zwem ik door tot ik echt geen adem meer krijg. Ik blijk een hele baan onder water te hebben gezwommen. De streep ligt er nog, keurig op 11 meter van de badrand.

Beelden van het E3-strand in Eersel komen binnen in mijn gedachten. We rijden met ons gezin in de zengende hitte, in file, met aan elkaar geplakte benen ,naar het paradijselijke strand. Koelbox met broodjes, drankjes en in aluminiumfolie verpakte meloen in de aanslag. Parkeren is nu al bijna onmogelijk. Gelukkig vinden we nog een plekje op het strand. Jammer van de wespen, de parende libellen en de modder tussen je tenen als je te water gaat. Zonde dat iedereen tegelijk naar huis wil en dat we het terrein na drie uur stapvoets rijden pas kunnen verlaten.

Is er nog het zwemmen wat geen zwemmen is. Je bent zeventien jaar en je lijdt aan onnodige onzekerheid over je lichaam. Je bent als de dood dat er een minuscuul stukje borst  of bil te zien zal zijn. Je moet op een charmante manier door het water waden als je toch even wil afkoelen en dat terwijl je de ogen in je rug voelt prikken. Ogen waarvan je liever niet hebt dat ze je zien, maar, en dat is nog erger, ook ogen waarvan je wilt dat ze kijken. Enkele enerverende minuten later beland  je, opgelucht dat het voorbij is, weer op je strandlaken.

Nu is het tijd om met mijn kinderen te gaan springen in de golven of te zwieren in het zwembad, want dat vind ik wel leuk. Het is vakantie. Zwemmen in zeeën van tijd, heerlijk.  Zwemmen in het geld..nee ik draaf door. Zwemmen in geluk is voorlopig genoeg. 

Afscheid

Afscheid nemen doet pijn. Of het nu vrijwillig of gedwongen gaat, van wat of wie je ook afscheid neemt, je laat altijd een stukje van jezelf achter. Marco Borsato zal het ongetwijfeld poëtisch bedoeld hebben maar afscheid nemen bestaat wel.

Ik zie mezelf nog lopen op de laatste schooldag voor de zomervakantie. Ik zou blij moeten zijn maar de tranen stroomden over mijn wangen. Ik moest afscheid nemen van mijn meester van de vijfde klas en ik vond het afschuwelijk want hij was, in mijn ogen, de liefste meester van de hele wereld.

Ook dramatisch vond ik het verlies van mijn rode Renaultje vijf. Als het vroor  kreeg ik de deuren niet meer open en moest ik via de achterklep naar het stuur kruipen. De lak was vaal, de banden liepen wekelijks leeg, starten lukte ook niet al te best meer en er groeide mos aan de binnenkant en dus geen redden meer aan.

Tegenwoordig neem ik dagelijks afscheid van dingen. Het doet zeer maar het weggooien van kapot en overbodig speelgoed van mijn kinderen (die dan slapen)gaat me redelijk af. Als ik het attribuut onderin de kliko gooi, zeg ik bij wijze van selfsupport  hardop tegen mezelf: “soms moet je afscheid nemen van dingen.” Dag plastic muziekinstrumenten zonder knopjes, dag oerlelijke knuffel van de kermis, dag boekje met nog maar twee bladzijden en dag knutselwerkje met veel te veel plakband.

Ik heb afscheid genomen van geliefden, van vriendschappen die niet meer waren wat het leek, van liefdes die over waren en deze week is er ook een van afscheid. Vandaag speelt groep 8 mijn zelfgeschreven musical ‘C’est la Vie!’ waar ik best een beetje trots op ben.  Deze week neem ik afscheid van mijn huidige werkplek om na de vakantie vol overgave aan een nieuwe uitdaging te kunnen beginnen.  Ik ga ze zeker missen, mijn collega’s, de warmte, de gedrevenheid waarmee ze hun werk doen, de humor en hun aanwezigheid . Maar goede herinneringen blijven bewaard en oude liefde roest niet. Een klein deel van mezelf blijft daar en ik neem ‘the good things’ mee de toekomst in.

 

Kleuters

Heb je wel eens goed naar een kleuter gekeken of geluisterd?  Een kleuter is een vreemd wezen. Thuis heb ik er twee rondlopen en op mijn werk zijn ze er in overvloed. Een kleuter is een soort puber in een te klein lijfje met hier en daar nog wat restanten babyvet. Ze hebben het hart op de tong en houden weinig rekening met hun omgeving.

Kleuters zijn onvoorspelbaar, afhankelijk, irritant,  en  vooral eigenwijs. De een is wat angstig of verlegen, de ander hondsbrutaal, het gros  is iets daar tussenin.  Bijzonder is het fenomeen: ‘Ik doe niet wat ik moet doen. Ik moet een tekening maken van mezelf maar ik ga een kroon knutselen, ik moet de zandbakspullen opruimen maar ik graag mezelf lekker in, ik moet een liedje zingen maar ik ga op de rug van mijn buurman kriebelen, ik moet op mijn stoel blijven zitten maar ik ga over de grond rollebollen, ik moet in de rij komen staan maar ik fiets rustig nog een rondje.’

Een ander opmerkelijk feit is: Kleuters raken ALLES kwijt. Van potloden, scharen en werkstukjes tot compleet ingepakte Vaderdagcadeautjes. Van bananen en gymschoenen tot ballen en fietsen. Om maar te zwijgen over de plaatsen waar deze attributen weer opduiken.

Verder: Ze poepen en plassen. Dat is op zich niets vreemds, dat doet iedereen. De timing is alleen verkeerd. Ze laten zich na een ‘jammer-net-te-laat-maar-dat-geeft-niet-want-dat-kan-gebeuren-ongelukje’ gelaten en zonder schaamte in een te kleine, vaal geworden, spijkerbroek hijsen. Jongens flaneren regelmatig,  bij gebrek aan herenmodellen, met een bloemetjesonderbroekje door de gang.

Acteren kunnen ze ook, de mormels. Als hen iets niet aanstaat zetten ze het op een brullen. Als ze niet meer van het klimrek af durven trouwens ook. Ze pakken je in met hun krokodillentranen. Even later lopen ze alweer rond met een glimlach van oor tot oor. Als ik Oscars zou mogen uitdelen dan wist ik het wel.

Als het dan zulke lastpakken zijn, wat moeten we dan nog met ze? Zijn ze dan niet gewoon overbodig? Nee dat niet. We hebben ze nodig. Zuiver eigen belang. Als je beter kijkt zie je hoe puur en onbevangen ze zijn. Hoe ze reageren vanuit emotie. Zij laten zich niet tegenhouden door de mening van een ander. Ze zeggen wat ze denken, houden ons een spiegel voor. Ze zetten ons met beide benen op de grond. Leren ons waar het echt om gaat in het leven.  Kleuters moeten blijven. Knuffel  ze zo vaak je maar kan met babyvet en al!

 

 

Zelfscan

“ Ik zal even al uw boodschappen moeten scannen, mevrouw. De controle is mislukt.”, zegt het kassameisje zacht. Ik ben er steekproefsgewijs uit gepikt en hoewel ik zeker weet dat ik niets gestolen heb krijg ik het toch warm.

Ik heb nog nooit iets gestolen, althans niet in nuchtere toestand. Of toch,  één keer,  toen ik tien jaar oud was, een walnoot op de markt. Aangespoord door een  brutale klasgenote die later rechter is geworden. Als ik moet opnoemen wat ik allemaal mee naar huis heb genomen na nachtelijke feestjes wordt het een ander verhaal. Vaag herinner ik me glazen, asbakken, theateraffiches, kerstbomen, oude instrumenten, beeldjes, en laatst nog een afschuwelijk keteltje. Niet de spullen gaven me een gevoel van voldoening, maar  de tranen van het lachen, samen met vriendinnen,  tijdens het  mee naar huis  zeulen van de attributen.

Ik geloof niet dat ik ooit met de politie in aanraking ben geweest. Behalve dan om aangifte te doen van een gestolen fiets of een ingeslagen autoruit en een bekeuring van dertig euro voor vier kilometer per uur te hard rijden.  Had de politie me gesnapt, al slepend met  het  kartonnen bord beplakt met  een poster  van Frank Boeijen (je bent fan of je bent het niet), die ik, midden in de nacht,  uit  zo’n ijzeren lijst langs de kant van de weg  gevist had, was ik zeer zeker wél de pineut geweest.

In afwachting van mijn vonnis zie ik met lede ogen aan hoe mijn zorgvuldig ingepakte boodschappen één voor één uit mijn tas worden gehaald. Daar gaat het enige voordeel dat de zelfscan  met zich meebrengt. Hoe langer het duurt, hoe warmer ik het krijg.

Ik zit op een smal eenpersoonsbed met blauwe canvas sprei. Een knappe agent brengt me een ontbijt. Het lijkt verdacht  veel op water en brood. Een boterham met kaas en een beker te sterke thee. Als er iets is dat ik echt niet weg krijg is het kaas in lapjesvorm. Ik klem de topjes van mijn duim en wijsvinger om de kaas en gooi hem weg, net als de thee. Zit ik hier alleen omdat ik een pak keukenrollen heb gejat, of moet ik jaren na dato ook nog boeten voor de poster van Frank Boeijen?

“Mevrouw?”  Het kassameisje kijkt me onderzoekend aan. Ik schrik op uit mijn gedachten. “Het apparaat geeft aan dat er geen verschil is, het is mijn fout. Het spijt me heel erg, ik heb iets over het hoofd gezien!”  “Dus ik hoef niet naar de gevangenis?”, zeg  ik bij wijze van grapje, stiekem toch opgelucht. Ze snapt het niet. Haar blik verraadt haar gedachte: ‘Wat een raar mens!’

 

Koortslip

“Mama, je lijkt wel een clowntje!”, zegt mijn zoon als ik hem ophaal bij de peuterspeelzaal. Alle leidsters en andere moeders hebben het gehoord. Hij duwt met zijn kleine vingertje op het stickertje op mijn lip, of eigenlijk moet ik ‘invisible pad’ zeggen. Ik ben weer eens de gelukkige bezitster van een koortslip, bij ons thuis beter bekend als frotlip,  en die is inclusief sticker alles behalve onzichtbaar.

“Herpes Labialis Solaris”, zegt mijn gepensioneerd-huisarts-schoonvader droog.  Dat klinkt als een slecht betaalde baan in een dubieuze beroepsgroep, maar de waarheid is erger. Het begint met een vaag jeukend gevoel op je lip. Dan komen de blaasjes. Als je geluk hebt zijn dit er twee en zitten ze aan de binnenkant. Als je pech hebt, en bij die categorie hoor ik altijd, zijn het er minstens tien en zit het grootste gedeelte niet op maar bóven je lip. De volgende fase is ramp één. De blaasjes springen open en het wordt iets dat nog het meest lijkt op een stukje rottend fruit. Je durft nauwelijks nog over straat. Bij ramp twee vormt zich een korst die voortdurend openspringt. Pas  twee weken  later is er iets van herstel te zien.

Natuurlijk zijn er allerlei remedies voor deze frotlip maar ze helpen niet. Of je nou wel of geen crème smeert, de ravage blijft hetzelfde. En als je de bult afplakt met een pad staren de mensen je aan met een vragende blik in hun ogen. ‘Waarom heb jij in godsnaam een stuk plakband op je lip zitten’, willen ze vragen maar ze houden zich in. Kinderen roepen op drie meter afstand : “wat heb jij gedaan???”  Dat bewijst dus dat ze NIET onzichtbaar zijn die ‘invisible pads’ , dat je compleet voor paal staat.

Je zou maar net de liefde van je leven tegen het lijf lopen en lekker willen zoenen. Ja, op de verpakking staat ook dat ze kissproof zijn die stickers. Echt niet! Ten eerste moet je een donker café opzoeken óf een stomdronken zoenmaat,  en als dat al lukt kun je er zeker van zijn dat hij of zij vervolgens thuiskomt met jouw sticker en een herpesbesmetting.

Wat zit ik toch te zeuren. Het is maar tijdelijk. Er zijn mensen met ergere kwalen. Ik denk aan grote wratten, onbedoelde beharing, te lange teennagels, uitpuilende ogen, gele rokerstanden, eelthakken en schimmels.  Ik ga me bijna verheugen op het moment dat ik een vaag jeukend gevoel krijg…