Meisjes

Met een gemiddelde leeftijd van 39 jaar mogen we zo niet meer genoemd worden maar als we op pad zijn met ons vijven voelen we ons nog steeds: meisjes. Onze karakters lijken in niets op elkaar behalve als je beter kijkt. Als we elkaar niet zien vullen we onze tijd als echte volwassenen met advocaat zijn, loopbaan begeleiden, lesgeven, organiseren, schrijven, ontwerpen, regelen, theater maken en moederen.

We kennen elkaar al jaren en hebben inmiddels een schat aan onbegrijpelijk taalgebruik zoals: “Alles im brand, mit gekreuzte gewehren, nou moet ik gaan fietsen met m’n stapak aan, turkse wafels, zei jij nou ons El en Rita je stinkt uit je zonnestelseltje!” Typische gevallen van daar had je bij moeten zijn.

Goed, ik zal er eentje, die misschien wat vragen oproept, toelichten. Het is april 2011. Mijn vrijgezellenweekend. Ons clubje is aangevuld met mijn zusje en twee oud-collega’s. We zijn in een Belgische studentenstad en gids Rita van ‘Hapje stapje’ zal ons door de stad loodsen. Rita is een beetje eng. Rita duldt geen tegenspraak. Op elke straathoek krijgen we uitleg over de oude gebouwen, die soms (kijk maar naar de bakstenen) verrassend nieuw blijken te zijn. Als we even niet opletten zijn we Rita kwijt. Blijkbaar is ze een vooroorlogse slagerij in gelopen, want opeens komt ze naar buiten met een plateau gevuld met ondefinieerbare stukken brokkenpaté en worst. Niemand durft te weigeren maar het spul stinkt en is werkelijk niet te pruimen. Het is niet netjes, maar als ze even niet kijkt belandt mijn portie tussen de uitgestalde rommelmarktartikelen op het plein voor ons.

Dan blijkt dat het niet de ambachtelijke slagerslekkernijen zijn die een vreemde geur afgeven. Het is Rita’s adem die, hoe zal ik dat eens subtiel zeggen, niet al te fris is. “Je kunt er een fiets tegen aan stallen”, zegt mijn oud-collega uit Limburg net iets te hard. Ze bedoelt: ‘Rita je  stinkt uit  je straatje!’ Na een tijdje krijgen we dorst. We weten dat Rita een fles drank in haar rugzak heeft . Dapper stelt een van mijn vriendinnen voor om vast een slokje te nemen. Dit past niet in Rita’s planning. Ze raakt van slag. Het angstzweet breekt haar uit. Helaas is dit niet alleen te zien maar ook te ruiken. Iets dat lijkt op de slappe lach begint langzaam op te borrelen. Als we bij een zuur kaasplankje eindelijk een borrel mogen van Rita, hakt de alcohol er zo hard in dat we stikken van het lachen. Rita staat er beteuterd bij. 

Als we ’s nachts thuiskomen hebben we het nog over Rita… Inmiddels stinkt ze uit haar straatje, haar stadje, haar wereldje, haar zonnestelseltje! Ach daar had je bij moeten zijn.  Het volgende uitstapje komt eraan. Den Bosch deze keer, met onder andere een alternatief boottochtje over de Binnendieze, niet aan te raden voor mensen met claustrofobie. Dat gaat vast weer stof tot schrijven opleveren maar vooral: even niets anders dan plezier met de meisjes!

Moeders

Het is maar goed dat ongeveer de helft van de wereldbevolking het vroeg of laat te pakken krijgt. Het ‘ik wil moeder worden virus’. De wereld zou er anders een stuk saaier uit zien. Niet dat  ook maar een van die moeders- in -wording weet wat er gaat komen. Als dat het geval is zou het merendeel  vast vroegtijdig afhaken.

Ik heb ook het grote voorrecht om moeder te mogen zijn. Het is me in eerste instantie niet komen aanwaaien maar soms komen dingen in een stroomversnelling. Ik heb twee prachtige, lieve kinderen. Een meisje en een jongen en ik hou ontelbaar veel van ze. Ergens dicht bij mij nog een klein mensje dat niet mocht komen. Soms denk ik er aan, met een glimlach nu.

Bevallen is geen pretje. Sterker nog, het doet ronduit keizeer. Ik mag daar eigenlijk niets over zeggen. Mijn  baby’s worden geboren volgens het boekje. Ze komen binnen een paar uur en drinken meteen aan de borst. Dat neemt niet weg dat ook ik op een punt kom dat ik denk: ‘IK WIL DIT NIET MEER!’ Er zit niets anders op dan het fijnknijpen van de arm van de aanstaande papa (daar is hij mij tot op de dag van vandaag nog steeds dankbaar voor) en diep ademhalen onder goedkeurend geknik van de verloskundige die achter het bed geduldig wacht met haar handen geklemd om een kopje thee . Opeens ben je mama. Geen overweldigender gevoel dan een warm, glibberig, pas geboren baby’tje van jezelf op je buik.

Een ander nieuw gevoel krijg ik meteen cadeau. Nu pas begrijp ik hoe mijn eigen moeder zich voelt. Het balanceren tussen vasthouden en loslaten. Het voor jou ga ik door het vuur. Het soms dingen niet zeggen terwijl je het dolgraag zou willen. Moeders zijn kampioen weten wat je kind voelt zonder dat er een woord gezegd is. Mijn eigen moeder is geen uitzondering. Ze weet het altijd maar ze houdt het bij haar, omwille van mij. Dat is moeder zijn.

Als mijn zoon zijn armpjes om mijn nek slaat en zegt: “mamatje, ik gaat met je trouwen”, voel ik het.  Als mijn dochter roept vanuit haar bed: “Mama, I love you, slaap lekker, ook tegen papa zeggen” voel ik het ook. Als we ouder worden zeggen we zulke dingen niet meer tegen onze moeders maar ze hebben het wel nodig. Dus waarom ook niet. “Mamatje, ik gaat niet met je trouwen maar I love you, slaap lekker, ook tegen papa zeggen!"

 

Vaderdag

Ons pap is een eigenaardig figuur. Hij is rustig en lief en een vader uit duizenden maar hij heeft wat aparte eigenschappen. Om maar iets te noemen: hij geeft zichzelf zakgeld met terugwerkende kracht en koopt zijn eigen cadeautjes. Hij houdt niet van verrassingen, ook niet met vaderdag.

Het is de derde zondag in juni 2005. Mijn zus en ik zijn het zat. We geven papa de keuze uit vijf verschillende uitjes met zijn meiden. Hij kiest voor de goed-gevulde-picknickmand, “maar”, voegt hij er zelf aan toe, “dan wil ik wel met jullie gaan schilderen.” Een traditie is geboren.

Dat schilderen gaat geen enkele keer zonder slag of stoot. Mijn zus en vader hebben al verschillende schildercursussen achter de rug. Verder hebben ze allebei  hun eigen materiaal. Daarmee sta ik meteen met twee-nul achter. Ik laat me niet uit het veld slaan. Ik krijg een oude broodtrommel , (nota bene de broodtrommel die ik altijd meenam naar de middelbare school) gevuld met kleine tubes verf in alle kleuren met bijzondere namen. “Prutsers blauw”, grap ik, “dat staat me wel aan.” Mijn werkwijze is totaal anders dan die van mijn medekunstenaars. Ik maak een plan en voer dat ogenschijnlijk zelfverzekerd uit.  Ik mis het tobben, de worsteling. Na een paar uur houd ik het voor gezien en nestel me in het gras. Bij thuiskomst blijkt dat geen handige keuze. Iets dat lijkt op een inktvlek blijkt pootjes te hebben. Meer dan twintig teken zitten muurvast in mijn lijf.

Een aantal jaren later. Hoogzwanger fiets ik over een wildrooster een natuurgebied in. Binnen no time sta ik oog in hoog met een gehoornde wilde koe. “Doorfietsen”, roept mijn vader met ietwat paniek in zijn stem.  Gelukkig laat het rund ons door maar als we onze schilder- en picknickspullen hebben uitgestald zie ik ze komen. De hele kudde komst gestaag op ons af. Blik strak op doel, hoorns vooruit. Koortsachtig vraag ik me af waar ik moet blijven als het echt gevaarlijk wordt.  Met mijn baby-op-komst-buik ben ik niet erg flexibel meer. Mijn enige redding is een boom waar ik misschien nog wel in maar zeker  niet meer uit zal kunnen komen.  De eerste koe kijkt nieuwsgierig naar de etenswaren. Ze loopt door. De tweede staat opeens stil, blijft ons aanstaren maar doet niets. Mevrouw drie is wat brutaler.  Met haar hoorn tikt ze het bakje met eiersalade om.  De hele kudde sjokt voorbij. Stokstijf zitten we op onze vissersstoeltjes. We komen met de schrik vrij. Echt schilderen doen we niet meer.

Tegenwoordig heeft ons pap een eigen buitenatelier. Geen koeien en teken,  wel nog steeds mooie dingen maken. Bordjes en kwastjes en bijzondere materialen. Vooral onbetaalbaar zijn het plezier en de ideeën die komen opborrelen. Deze keer heb ik mijn kunstwerk voorzien van de woorden: ‘Gelukkig kwam er iemand naast me zitten. Om precies te zijn jij.’

Parijs

Al sinds mijn twaalfde ben ik verliefd. Op Parijs. Voor de duidelijkheid: Parijs is niet de naam van een leuke jongen met een ietwat excentrieke naam, het is de hoofdstad van Frankrijk. Ik ben er inmiddels acht keer geweest en ik hou van het kolossale van de Eiffeltoren, de Notre Dame en de Sacre Coeur. Ik hou van de sierlijke Art Nouveau krullen, de keurige Parijzenaars, de broeierige, haastige sfeer in de métro en de rust, die de stad uitademt, als je slentert door Jardin du Luxembourg of de Tuilerieën.

Met kleine kinderen is Parijs een ander verhaal. Heel ver kun je niet lopen met een drie- en een vijfjarige maar als je je liefde voor grote steden door wilt geven moet je vroeg beginnen en soms is het gewoon verstand op nul en bikkelen. Voor mijn dappere dochter van vijf is dit geen enkel probleem. Af en toe een ijsje, wat water en een pain au chocolat en ze gaat ervoor. Zoonlief van drie heeft er duidelijk wat meer moeite mee. Hij wil afgeleid, gedragen en verwend worden.

Onze kleine man wil de Eiffeltoren beklimmen. Het is dertig graden en het is zaterdag. Een dag later zal de Tour de France eindigen bij de Arc de Triomphe. Je kunt wel zeggen dat het druk is. We nemen de metro naar Trocadero want alleen daar zie je de enorme stalen toren meteen in vol ornaat. Onderweg valt mijn zoon helaas in slaap. Met verbeten gezicht sjouwt mijn nog-niet –zo-lang-geleden-aan-zijn-knie-geopereerde husband met hem richting  doel.  Als hij wakker wordt roept hij slaapdronken: “Hee, ik zie daar de Eiffeltoren, en dat is een draaimolen, daar wil ik in!” De romantiek van de nostalgische stijl doet ons besluiten om drie euro per kind uit te geven voor een ritje van pakweg drie minuten. De blije gezichten zijn onbetaalbaar. Die toren beklimmen we wel een andere keer.

We nemen de Batobus naar Jardin des Plantes, Zoo la Ménagerie.  We zien prachtige oude kooien, zwarte panters, reuzenschildpadden en een dodelijke varaan.  We rillen bij kikkers met alle kleuren van de regenboog en hele grote spinnen. Geen spoor van vermoeidheid.

Etenstijd. Als kinderen honger hebben moet je niet te lang wachten. We eten vette gepaneerde kippenbillen met bot in een smerig zaakje aan de voet van de Sacré Coeur. Ik hou niet van kluiven maar vandaag maakt het me niet uit. Mijn kinderen genieten, het vet druipt van hun kin. We spoelen alles weg met cola. “Wat???, drinken jouw kinderen cola, Oho!” “Ja, mijn kinderen drinken cola, aangezien dat het enige drankje is wat ze hebben, ja!” Op de terugweg tikken we, bij wijze van souvenir, nog een  afschuwelijke sneeuwbol op de kop. Mijn kinderen stralen. “Wat een mooie witte kerk in de sneeuw hè mamatje”, zegt mijn zoon triomfantelijk. Het begin van iets wat een grote liefde kan worden is er.  Ik kan mijn geluk niet op.