deze week even geen column

Sorry mensen, ik sla even een weekje over. Na een drukke week vol feestjes, en ouderavond op school even op adem komen en de rust nemen om een nieuwe column te schrijven. Tot volgende week.

Hond

“Ne goeien hond die schooit nie.”, zegt een kleuter met zwaar Brabants accent tegen zijn vriendje in de huishoek. Een goede hond die bedelt niet om eten. Ik weet dat ik de halve wereldbevolking tegen me in het harnas jaag als ik zeg dat een goede hond ver te zoeken is.

Ik zie het wel, de liefde tussen mens en hond maar ik voel het gewoon niet. Mensen die uren met hun trouwe viervoeter  door het bos wandelen. Mensen die verklaren zich in hondengezelschap beter te voelen dan in wat voor gezelschap dan ook. Mensen die pas kunnen slapen als hun oogappeltje op het voeteneind van hun bed ligt.

Het spijt me te moeten zeggen maar ik vind honden vies. Ze kwijlen, hun uitwerpselen stinken in het kwadraat en ik walg van de geur van natte hond. Alsof je een nat regenpak zes weken in een plastic zak hebt laten zitten. Om maar niet te spreken van hun opdringerige en soms agressieve gedrag. Heel fijn dat honden goed kunnen ruiken maar ik hoef er niet perse aan herinnerd te worden dat ik last heb van maandelijkse ongemakken.

De oorsprong van mijn anti-hond-zijn ligt in het volgende feit. Het is avond en ik zit op de fiets. Uit het niets heb ik een grommende herdershond achter me aan. Hij vindt mijn been wel een lekker hapje. Ik ben dus ronduit bang. Ook van kleine hondjes die hun tanden laten zien. Daarnaast haat ik het om hondenpoep onder  schoenen uit te krassen met een lucifer maar nog erger zijn de baasjes die met hun rug naar hun poepende  beest gaan staan bellen zodat ze er zeker van zijn dat ze de viezigheid niet zelf op hoeven te ruimen.

Het meest verschrikkelijk vind ik mensen die hun hond vrij laten rondlopen. Ze houden geen rekening met mensen die honden eng zouden kunnen vinden. “Nee, hij doet niks hoor.” Als dat zo vanzelfsprekend is waarom zeggen ze het dan? Een tijd geleden. Ik val bijna achterover van verbazing. Ik zit met mijn gezin te picknicken op het strand als ik hem zie. De grote hond stuift op ons af. De zandkorrels vliegen ons om te oren.  Hij steekt zijn kwijlende kop in de picknickmand en binnen no time slokt hij vier van onze heerlijke broodjes naar binnen. 

Blijkbaar ben ik niet de enige persoon die een hekel heeft aan honden. Waar komen anders die dubieuze uitdrukkingen vandaan? De hond in de pot vinden, daar lusten de honden geen brood van , het is hondenweer, hondsbrutaal, zo ziek als een hond. Het klinkt niet erg vriendelijk. Het lijkt me nu een uitdaging voor trotse hondenbezitters om iets aan het imago van hun lieveling te doen.  Ik kijk uit naar poeploze grasvelden, aangelijnde exemplaren en een tweede zakje aan de riem, met hondenparfum. Zullen we zien hoe hondslief ze zijn en kunnen wij met hondenweer, zonder lucifers op zak, heerlijk van de zon gaan genieten.

 

 

Juf

 “Ben jij zangeres?” vraagt de jongen uit groep vier die ik net een halve dag ken. Met mijn gitaar, mijn grootste troef, in mijn hand ben ik heel even van mijn stuk gebracht. Er hangt een samenzweerderige sfeer in de kring. Dat is misschien wel waar het om draait in mijn werk als juf. Een groep kinderen verrassen. Samen een sfeer neer zetten, een gevoel van: hier hoor ik thuis!

Al bijna twintig jaar ben ik leerkracht. Geen enkel schooljaar is hetzelfde. Je moet ALLES kunnen. Rekenen, spellen, netjes schrijven, tekenen, luisteren, vertellen, vergaderen, troosten, diagnoses stellen, topografie, gym geven, zingen, corrigeren, surveilleren, registreren en zo kan ik nog wel even doorgaan. Ik ben al lang gestopt met reageren om mensen die zeggen: “wat doe je na drie uur dan nog als de kinderen weg zijn?” of “jullie hebben ook altijd vakantie!”

We moeten het door de crisis met steeds minder doen. Minder geld, minder collega’s, minder kinderen zónder  rugzak, minder hulp en minder ruimte in de lokalen. Dit alles onder de noemer: ‘Passend Onderwijs’. Het allerergste is dat het gebracht wordt alsof het een geniale uitvinding is. Zeg gewoon: “Sorry jongens, we hebben geen geld meer, tob er maar mee aan.” Maar nee, dat is de hogere heren en dames, die geld verdienen met het bedenken van briljante termen en die vast zelf nog nooit voor een klas hebben gestaan, teveel gevraagd.

Soms is het echt te gek. Terwijl de stoelen me om mijn oren vliegen word ik uitgemaakt voor rotte vis. Ik pluk weggelopen kleuters van de straat  en ik overtuig moeders ervan dat een hele pak stroopwafels misschien niet de meest voedzame lunch is. Ik krijg een folder in mijn hand geduwd hoe om te gaan met agressie. Dat zal wel helpen. Echt  niet. Ik wil niet omgaan met agressie op een basisschool.

Wat maakt het dan toch nog interessant? Wat zorgt ervoor dat ik nog steeds naar school ga? Zonder twijfel: de kinderen. Het contact, de humor, de liefde, de verwondering in hun ogen als ze iets ontdekken. Het genoegen dat ze hebben als ze denken jou voor de gek te houden. Tranen gelachen om een boxershort die plotseling uit de pijp van een spijkerbroek tevoorschijn komt. “O, ik heb er ook een aan.”, zegt de jongen vertwijfeld als hij de knoop van zijn broek openmaakt.  Het is carnaval. Twee jongens, een met een zwakbegaafde moeder, de andere met hoog opgeleidde ouders, voeren een gesprek. “Ik ga verkleed als kloon”, zegt de eerste. “Dat kan niet.”, antwoordt nummer twee. “Jij bedoelt een clown, een kloon is een gekopieerd mens!”.  Nummer één druipt af met vraagtekens in zijn ogen.

Nu op weg naar een missie. Voorjaar 2014 in het Theater. Onderwijs wat is dat, en wat is het zeker niet?  Kom maar kijken wat we dan allemaal nog doen na drie uur. Soms met de tong op onze schoenen. Overtuig je er maar van dat die vakanties noodzakelijk zijn om dit beroep te kunnen blijven doen. See you in spring!

Dansen

Faalangstige stijve sporthark. Zo zou ik mezelf kunnen omschrijven als het gaat om het uitoefenen van wat voor sport dan ook. Hoewel, stijf ben ik niet meer. Faalangstig, klunzig, inzichtloos, en ongemotiveerd nog steeds wel. Opgelopen tijdens de gymlessen op de basisschool. Mijn gymleraar  is er een van de soort: ‘ de sterksten laten kiezen.’ Week in week uit zit ik bij de kneusjes op de bank en als ik aan de beurt ben om te slaan bij slagbal wil ik het liefst met zweet in mijn handen weer meteen achteraan sluiten.

Het is mijn moeder die er voor zorgt dat ik in ieder geval toch in beweging kom. Ik ben zes jaar en krijg het maar amper voor elkaar om achter op de fiets te klimmen. Ze brengt mij naar klassiek ballet en gelukkig vind ik het leuk. Ik blijk gevoel voor muziek en ritme te hebben en ben al snel van mijn harkerigheid af.

Zes jaar later mag ik op jazzballet. Dat is, als je puber bent, echt  heel stoer! Probleem is: hoe leg je aan een buitenstaander uit wat je precies doet. Ballet klinkt als op je tenen lopen in een roze tutu of wordt door sommigen gezien als een veredelde gymoefening. Vreselijk vind ik het nog steeds als mensen  mij vragen: “En, heb je lekker gesport?”  “Ik sport niet, ik dans!”

Dansen is veel meer dan bewegen omdat dat nou eenmaal moet. Gelukkig maken tv programma’s als SYTYCD  de danswereld toegankelijker, begrijpelijker. Professionele dansers die zo  goed zijn dat dans er makkelijk uit gaat zien. Ze kunnen je met hun dans zo raken dat je ervan moet huilen. (zie: Vivian en Frederic - So You Think You Can Dance ... - YouTube)

 

Inmiddels zijn we 34 jaar verder. Ik dans nog steeds. Omdat ik het al  zo lang doe hoor ik bij de gevorderden. Zo voelt het niet. Wekelijks loop ik te zweten om de passen te onthouden, om het er een beetje soepel uit te laten zien.  Samen met mijn dansmaten rol ik over de grond, loop ik blauwe plekken op, zijn we super geconcentreerd en maken we af en toe flauwe grappen om onze onzekerheden te verbloemen.  Een les missen doen we nauwelijks. Voor onze eigen bestwil. Niemand zit er op te wachten om de weken die volgen als aangeschoten wild door de danszaal te gaan.

Dan is er nog wat: uitvoeringen op een heus theaterpodium. We voelen ons er langzamerhand te oud voor. Onze dansdocente denkt daar anders over. Ze krijgt ons steeds weer zover. Hoe dichter  bij de grote dag, hoe strenger ze wordt. Op het moment dat ik één minuut voor we op moeten met kloppend hart in de coulissen sta en er van overtuigd ben dat ik geen enkele pas meer weet, besluit ik dat het de laatste keer is. En dan, de muziek, het licht, het publiek, de dans, het applaus. Voor ik het weet is het alweer voorbij. Iets van trots borrelt op. Oké, nog één keer dan!