Bejaardenhuis

“Ach bende gullie ok nog op?”, zegt de verwarde man tegen mijn tante als hij midden in de nacht nog door de gang scharrelt. Een uur later, als mijn tante en mijn moeder lepeltje lepeltje op een éénpersoonsstretcher liggen is hij nog steeds niet uit gerommeld. ’s Morgens heeft hij moeite met opstaan, het hoeft voor hem nog niet zo nodig. “Maar Jan,  je hebt je pyjamatrui nog onder je blouse aan!”, zegt de zuster vrolijk. Even later. “Zuster! Jan is voorgeschoten.” “Ja ik moet poepen.”, zegt Jan verongelijkt. “Och vrouwke, dan ga jij dadelijk toch!”

Met lood in mijn schoenen typ ik de code in. Het kan voor de zoveelste keer zo maar afgelopen zijn. Al meer dan een week heeft ze niets gegeten of gedronken. Al drie keer heb ik definitief afscheid genomen van oma en rollen de tranen op de terugweg over mijn wangen. Ze vecht voor haar leven, geeft niet op. Ze ademt moeizaam en haar huid wordt langzaam kouder maar ze is nog steeds bij ons. Haar voeten blijven warm. Af en toe doet een raar geluid iedereen opschrikken.

Nooit zie ik mijn ooms en tante’s zo veel als nu. Het is zelfs  gezellig soms. Verhalen van lang geleden komen boven. Als het waar is dat het gehoor als laatste uitvalt krijgt oma op haar sterfbed nog genoeg kritiek te verwerken. Een weggegeven fiets en fabeltjeskrant-T-shirt, kritiek op de nieuwe vriendinnen van mijn oom en een pilotenjas voor mezelf. Van ome Henri. Nou klinkt dat dramatischer dan het is. Mijn oom is maar 7 jaar ouder dan ik. En dus noem ik hem gewoon Henri. Hij kan er ook niets aan doen dat oma had bedacht dat ik die jas best aan kon. Een meisje van 10 met een beige jas met vliegtuigembleem…cool!

De bejaarden hebben niet veel gegeten die avond. Dankbaar eten wij op wat is overgebleven. Ze weigeren hun toetje. Al kersen met slagroom etend houden wij onze adem in als oma dat ook doet. Niets is te veel voor het personeel van de Eeuwsels. Altijd vrolijk, positief en zorgzaam. Altijd belangstellend en misschien wel het belangrijkste: oprecht bezorgd om Mientje. Ons  moeder en omatje. Het is een rare week zo, maar deze mensen maken het voor iedereen beter te doen. Dankjewel!

 

Angst

“Straks worden we nog vermoord.”, zegt een van mijn vriendinnen bij de aanblik van ons hotel. Ze ziet ons al liggen, vastgebonden op bed, badend in het bloed of in stukken gesneden achter gelaten in een waszak. Ik lach er om, ik deel deze angst totaal niet. Evenals haar angst voor wc’s, stof onder het bed of bacteriën aan de kraan of  deurklink. Ik hou van schoon en netjes maar ik haar ogen ben ik een plekkees.

Bovenstaand  is  bepaald geen garantie voor een angstvrij leven. Het begint  met onnozelheden als sprinkhanen, langpootmuggen, zandvlooien, gewone vlooien, hoofdluizen, sluipwespen, kakkerlakken en meer van dat soort gespuis. Maar  ook andere dieren bezorgen mij hartkloppingen. Paarden, bokken (ik herinner me een bezoek aan de kinderboerderij met mijn klas  waarbij er een door mijn toedoen ontsnapte), honden en koeien met hoorns. Waar ik ook niets van moet hebben is gevogelte. Kippen, parkieten, lijsters die de kamer inkomen in de bek van een kat (die vind ik overigens wel leuk)  en kraaien met één poot die me aanstaren vanaf de schutting. Gruwelijk.

Daarnaast krijg ik het klamme zweet in mijn handen van vervoersmiddelen. Geklemd tussen twee vrachtwagens op de snelweg, turbulentie in het vliegtuig,  benauwde metro’s, deinende schepen en over het water springende hovercrafts. Zonder reispilletje stap ik niet in. Anders hang ik gegarandeerd kotsend over de railing.

Nog zoiets, films die zo eng zijn dat ik na afloop bang ben dat de hoofdpersoon onder mijn bed ligt of tijdens het tanden poetsen plotseling achter me staat. Nog steeds kan ik niet op een normale manier kijken naar Anthony Hopkins in wat voor rol dan ook. “Pas op mensen.” , wil ik schreeuwen. “Straks eet hij jullie op.” Japanse horror  sla ik bij voorbaat over. Weken na het zien van The Ring durfde ik de telefoon niet op te nemen.

Wat me echt de stuipen op het lijf jaagt is de wetenschap dat ik dood ga. Alles weg, foetsie. Het vervaagt alsof ik nooit bestaan heb. Mijn gedachten, gevoel, liefde, irritaties, geluk en ellende. Niets meer van terug te vinden. Al mijn lieverds om mij heen gaan ook , maar dan eerder of later. Allemaal de vergetelheid in. Angstaanjagend.

Tijd voor wat nuchterheid. Deze herfstvakantie.  Ik sta met mijn gezin in een reptielenhuis in Breda. Mijn kinderen mogen een baardagaam vasthouden.  Geen spoortje van angst.  Het is een mensvriendelijke leguanensoort, middelgroot met zachte stekels.  Voor dat ik het weet zit het beest relaxed op mijn hand en kijkt me glazig aan. “Valt best mee hè meidje?”, zie ik hem denken. Er komt een kinderlijk gevoel van trots over me heen. Hou me maar in de gaten want wie weet zie je me binnenkort wel wandklimmen, wildwatervaren, bungeejumpen,  zemmen in een bak met vogelspinnen en schapenogen eten. Dit alles in gezelschap van mijn figuurlijke baardagaam. “You go girl, valt reuze mee!”

Verkoper

De raampjes van de voordeur trillen er bijna uit. Zo hard wordt er op geklopt. De bel doet het niet. Die staat al jaren uit, voor de kinderen, en dat vinden we eigenlijk wel relaxed. Ik kijk uit het raam en zie een jongeman met laptop voorbij lopen. Ik ben meteen op mijn hoede. Mijn man doet de deur open en ik vang de blik van nog een figuur met laptop. Type: bal, midden twintig, teveel zelfvertrouwen. Waarschijnlijk vindt hij ons bijna-bejaarden en ik erger me nu al dood aan hem.

Het is spitsuur. We hebben net gegeten, de vaatwasser moet gevuld en de kinderen naar bed. De snelle jongen blijkt een medewerker van het energiebedrijf dat er op uit is mensen met allerlei lokkertjes over te laten stappen op een andere leverancier. Quasi geïnteresseerd hangt mijn man tegen de deurpost. Ik weet wat hij van plan is.

Tien minuten later staat mister self-confidence bij ons binnen. Zijn praatjes worden  gladder. Mijn opruimen gaat met steeds meer venijn. Hij negeert me compleet. Een gemiste kans. De kinderen beginnen, te hard, rare opmerkingen te maken. Ze zijn moe maar voelen ook de spanning. Roel, want dat zegt punt drie van zijn protocol, stelt zich voor en doet alsof de kinderen ook niet bestaan. Jammer hoor Roel. "Zou ik even een pen mogen vasthouden?", zegt onze indringer totaal op zijn gemak. "Nee!!!", wil ik roepen. "Jij mag hier helemaal niets vasthouden!" Hij gaat zitten en het zou me niets verbazen als hij zo meteen op de bank ligt.

Geduldig luistert mijn man naar de onzin die Roel verkoopt. Een gratis app, (is dat niet geweldig) spaarlampen, (oerlelijk), folie om achter de radiator te plakken, (jij weet vast niet dat wij niet hoe onhandig wij zijn,of wel ?)  tariefdaling van maar liefst zeven euro per maand (chapeau Roel!) en een bedenktijd van TWEEENEENHALVE week (geluksvogels dat we zijn). De kinderen hebben inmiddels ruzie om een playmobielpoppetje. Ik moet weten hoe dit afloopt.

"Zal ik het voor u in orde maken?", vraagt Roel nonchalant. Nu is het de beurt aan mijn man. Rustig zet hij de tegenaanval in. "Ik zal het goed met je maken." Bewust last hij een iets te lange pauze in. Ik zie dat Roel in de stress schiet. "Over twee weken kom je nog eens terug, dan kan ik erover nadenken en dan kun jij toch nog je provisie krijgen." Bam! Het slaat in als een bom. Nog even klampt Roel zich vast aan zijn laatste strohalm,  punt 28, de bedenktijd, maar het is al te laat. Zijn vriendelijk geslijm slaat om in ergernis. "Jullie zijn ronduit dom als je deze kans laat liggen.", zegt hij met verstikte stem. Met vinnige pas verlaat hij ons huis. "Godverdomme!" hoor ik hem nog zeggen tegen zijn maat die ook bot heeft gevangen. Volgende keer toch een andere aanpak bedenken als je bij half-bejaarden op de deur staat te bonzen.

Oktober

Oktober overvalt ons ieder jaar. We kijken naar elkaar na een overvolle zomer. En we zijn alweer veranderd. Een tekst uit een liedje van Blǿf die me steeds weer raakt. De zomer ligt ver achter ons en we wachten af wat de  winter  zal brengen. Toch hou ik van oktober. De laatste dagen zonder jas, het bijna afgelopen zijn, de gekleurde blaadjes die nu nog iets feestelijks hebben maar er zijn meer redenen.

Herfst 2012. Alcázar Sevilla. Het is 25 graden en we hebben niets aan ons hoofd. De zon belicht de overdaad aan mozaïek en neefje en nichtjes lopen hand in hand door de vele paadjes in de paleistuin. Later die dag op het strand van Costa de la Luz. Niemand op het strand behalve wij. Twee ouders, twee dochters, twee schoonzonen, drie kleindochters en één kleinzoon. Het jongetje in een blauwgroen  zwembroekje rennend door de duinen. De meisjes spelend in de golven.  We eten pelpinda’s op een felblauwe vlonder. Als dat geen geluk is.

Oktober 2010. Mijn zoon is jarig. Hij wordt één jaar. De zon schijnt, we kunnen buiten zitten, zónder jas. Mijn oma van 87 kan niet meer goed vooruit. Weet het ook allemaal niet meer. Maar ze is er! Mijn tante brengt haar mee en glimlachend zit ze op een stoel. Haar wangen zitten vol slagroom en met moeite slobbert ze haar koffie naar binnen. Een paar uur later. Mijn andere tante verschijnt mét mijn oma. Ze heeft een andere bril op en heeft geen idee dat ze hier al eerder geweest is vandaag. De glans in haar ogen vertelt genoeg.

Oktober 2009. Mijn buik staat op springen. De herfstzon lokt me naar buiten. Ik wandel een klein stukje door het bos met mijn dochter van bijna twee. Ze pakt een handvol bladeren en gooit die omhoog. Ze schatert van het lachen als de bladeren op haar hoofdje neerdalen. Een paar uur later hang ik met mijn armen op de eettafel mijn weeën op te vangen.   Al snel heb ik een prachtige zoon in mijn armen. Verfrommeld gezichtje, piepklein lichtblauw T-shirtje. Oktober.

Oktober 2013. Mijn grote zoon oefent op school. Dapper en op zijn tenen loopt hij de klas binnen. Met verwachtingsvolle oogjes gaat hij op zijn stoeltje zitten. Bijna vier is ie, en hoewel ik voel dat het loslaten verder in gang is gezet voel ik grote verbondenheid. Een gesprek zonder woorden. ‘Het komt allemaal goed mama!’, voel ik hem denken. Zelfs als de juf zegt dat hij wél vaak de veiligheid zoekt heb ik het volste vertrouwen. En mama? Nieuwe dingen op mijn pad. Het is oktober en ik laat me er heerlijk door overvallen.

Supermarkt

Supermarkt

“Dè zèn laaien!” zegt de als bakker verkleedde supermarkt medewerkster met weinig mimiek  als ik een hard broodje uit een bak aan het vissen ben. Ik ben net wakker en gezien de geringe communicatieve vaardigheden van de vrouw heb ik niet meteen in de gaten dat ze het tegen mij heeft. Dan zegt ze het nog een keer maar dan wat harder. “Dè zèn laaien, dan kende er veul beter bij, dès hendiger!” Natuurlijk weet ik best dat  het een la is en dat ik die open kan trekken maar als ik er zo ook bij kan waarom zou ik dan….

Of deze: “Dè moette wege!” Ik sta bij de kassa van een andere winkel maar met dito slecht communicerende medewerkers. Hoe anders zou het klinken als de kassajuf zou zeggen: “Mevrouw u bent vergeten deze appels af te wegen, zou u dat alsnog even kunnen doen?” Hoewel het mijn fout is word ik altijd een beetje dwars van dit soort opmerkingen. Er borrelt een antwoord in me op dat ik toch maar inslik. “Doe het zelluf mèr dan komde gij ok ‘n keer in beweging!”

Bij ons in het dorp is een supermarkt waar ik liever niet kom. Reden één: lompe kassamedewerkers (nee, niet allemaal, er is er één heel lief, en ze is een oud-leerling van mij maar ik kan moeilijk gaan staan wachten totdat zij er is),  reden twee: ik word er consequent afgezet.  Fruit dat niet goed  geprijsd is, wijn waar een bordje bij staat: 50 % korting,  maar dat bleek nog van vorige week, spotgoedkoop wasmiddel waar je er drie van moet nemen maar dat gaat bij nader inzien pas de volgende dag in. Zeg ik er wat van ligt het aan mij. Zij kunnen er in ieder geval niets aan doen want het wordt geregeld met codes op een centraal kantoor. Eén keer heb ik een bosje bloemen gekregen.

Gelukkig kan het ook anders. Er bestaat een winkel waar de medewerkers over het algemeen altijd aardig en behulpzaam zijn. Ze praten met Nederlandstalige volzinnen en je voelt je er welkom. Ze leggen je uit waarom bepaalde producten er even niet zijn, de kinderen mogen er pizza’s bakken en krijgen een gratis banaantje.   Daar betalen we dan ook voor. Dat zijn verkooptechnieken, dat snap ik ook wel maar het werkt.  Kom je toevallig een medewerker wildplassend tegen dan trekt hij dat meteen op z’n fatsoen, en zo hoort het.

Letterlijk werk aan de winkel  voor de concurrenten. Ik zie hier een kans. Werkverschaffing voor mezelf. ‘Hoe ga ik met klanten om’ Een ludieke workshop voor supermarktpersoneel. Ik zie het voor me. “Wat  zou  jij zeggen als klant als de caissière  zegt: dè moette wege.? ” Het antwoord, schat ik in, zal zijn: “Dan zou ik zegge: ge het hillemal gelijk vrouwke, ik ben wir zo stom gewist om dè te vergete!”