Nacht

In de verte klinkt een  woord. Ik herken het nog niet, maar het is wel iets wat ik vaker heb gehoord. Het gaat steeds harder. Langzaam word ik wakker. Nu weet ik wat het is. Overdag word ik, als we samen zijn,  minstens zestig keer per uur met deze titel aangesproken. Angstvallig kijk ik met één oog open naar de wekker. Vier uur negenenveertig. Dat is niet bepaald wat ik wil zien. Het aanhoudend huilerige geroep doet mij toch maar besluiten om uit bed te gaan.

Onze baby’s zijn geen slaapbaby’s, onze baby’s zijn eetbaby’s. Eetbaby’s met een hoofdletter E. De eerste drie maanden worden ze bij voorkeur ’s nachts om de drie uur wakker om te eten, of te wel mijn borst leeg te drinken. Regelmatig val ik met baby op mijn buik in slaap om vervolgens zwetend van het warme lijfje en de hormonen weer wakker te worden. “Dat wordt straks allemaal beter!” beloven de ervaren moeders mij maar wat heb ik daar op dit moment aan.

Ons Anna slaapt nu als bijna zesjarige  de klok rond. Heel af en toe staat ze met een prop nat beddengoed in haar hand glazig te kijken op de overloop. Net te laat…Wat onze andere baby betreft is er nog maar weinig veranderd. Hij vraagt niet meer om eten maar de nachten die hij compleet doorslaapt , zijn nog steeds op twee handen te tellen. Vier is hij inmiddels, Tibbe. Ik gebruik alle tips, maar ze helpen niet.  De dag doornemen,( hij zegt gewoon: “dat weet ik niet meer.”) zijn hele lijfje masseren en losschudden, (dat vindt hij heerlijk en hij slaapt er hooguit wat eerder van)  een keer extra laten plassen,  naast hem gaan liggen en stilletjes weg gaan, later naar bed? Nee.

Daar zit ie, mijn grote zoon die toch nog zo klein is. Zijn dekbed ligt op de grond. “Mama!”, huilt hij terwijl hij gewoon doorslaapt. “De insecten komen en ik heb een zwart met rode paraplu nodig om ze weg te jagen!” En een snik later: “Ik kan dit werkje nog niet maken, dit is voor grote jongens.” Ik pluk hem uit bed en druk hem dicht tegen me aan. Zijn warme traantjes glijden in mijn nek . Vijf minuten geleden stapte ik geïrriteerd mijn bed uit en nu smelt ik van verliefdheid.

 Ik neem hem mee naar mijn eigen bed en ik weet dat ik in een aaneenschakeling van hazenslaapjes terecht kom. Dan ligt hij op mijn buik, dan links, dan rechts. Als hij bijna rustig is wordt hij toch nog wakker en zegt hij dat hij even naar beneden moet om te kijken of opa en oma er al zijn.  Ik moet alle zeilen bijzetten om hem ervan te overtuigen dat zij thuis in bed liggen.  Het mopperende geluid naast mij geeft aan dat papa een onbedoelde schop heeft gekregen. “Komt wel goed schatje.”, zeg ik. Beloofd is beloofd!

Sinterklaas

Kom op zeg! Mochten slaven pepernoten bakken en er zoveel van snoepen als ze maar wilden? Mochten slaven cadeautjes rondbrengen, kinderen blij maken en met hun werkgever mee op vakantie? Nee! Zwarte Piet komt niets te kort. Sterker nog, hij is een graag geziene gast, zeker in deze tijd. Geen spoor van discriminatie te bekennen. Dus mensen ga asjeblieft niet van alles lopen roepen over een feest als je de oorsprong niet kent.

Ik hou ervan. Het Sinterklaasfeest. Ik hou van het geheimzinnige gedoe. Surprises en gedichten maken. Mijn geliefden er middels een gedicht met dikke knipoog  doorheen halen. Ik geniet van het vullen van de schoenen, het schrijven van hanepoterige -zwarte –Pieten- brieven (keurig zonder taalfouten uiteraard), het gewoon weer terugproppen van de winterwortels in de verpakking om er de volgende dag wortelstamp van te maken en de gelukzalige gezichten van de kinderen bij het zien van de glimmende kikkers en muizen en het in vervulling gaan van hun  wensen.

Nog steeds zit ik op het puntje van mijn stoel te kijken naar Dieuwertje in het Sinterklaasjournaal. Hoe ze, quasiverontwaardigd,  aankondigt dat de boot dit jaar echt niet zal komen. Hoe bekende acteurs ten tonele verschijnen, zoals Freek de Jonge als meneer Zanik die niets in zijn schoen heeft gehad of Arjan Ederveen die als Hans Duurkoop ‘Theo en Thea tandjes’ en  goedkope staffen verkoopt. Ik smul van de dubbele bodem in het verhaal die de kinderen ontgaat.

Alleen maar lol wat de klok slaat dus deze weken? Vergeet het maar. Ook dit feest kent haar keerzijde. Voor een leerkracht is dit een van de meest hectische perioden. Vanaf het moment dat Sint voet aan wal heeft gezet zijn de gelovers niet meer te houden. Hun angst om niets te krijgen of mee te moeten in de zak naar Spanje(ouders bedankt!) wordt moeiteloos omgezet in ontembaar gedrag. Rennen, schreeuwen, gillen, huilen vechten, slidings maken in het klaslokaal, gooien met zand en het imiteren van o.a. een van de drukste Pieten als Pietje Paniek (en bedankt Jochem Meyer.) Misschien kun je je wel voorstellen dat leerkrachten pas weer opgelucht adem halen als de boot op zes december weer het ruime sop kiest.

We doen het zelf. We maken ze gek en dat laten we zo. Tijd om erover na te denken heb ik trouwens niet. Ik moet knippen, plakken, dichten en recyclen. Een jaarlijks terugkerend fenomeen om eerder verkregen surprises her te gebruiken en ze vol overgave, met een andere functie, op pakjes avond opnieuw te presenteren. Ik moet mijn schoonzus op het verkeerde been zetten. Geen paniek, ze heeft er zelf voor gezorgd dat haar naam op mijn briefje staat. Ze heeft zelfs haar cadeautjes al besteld. Toch ga ik haar verrassen. Hoop ik. Paniek, paniek paniek…Whaaaaaaaaaaa……..

 

Scootmobiel

“Gij moest oe eigen gaan schamen! Heul diep!” De stem van de vrouw galmt over het Hofnarplein. De boosheid blijft hangen als ze om de hoek verdwijnt. Ze heeft net een cursus gevolgd bij de Volksuniversiteit en hoort het schandaal via een van haar medecursisten. Ze heeft meteen haar oordeel klaar.

Ze heeft het tegen mij. Ik word keihard beschuldigd van vandalisme. Goed. Lichte baldadigheid kan me verweten worden maar daar denkt de  kantklosvrouw duidelijk anders over. Het is maandagavond. Na een intensieve les jazzdans worden we altijd een beetje lacherig. Het teveel aan adrenaline moet er uit. Al weken staat er in de hal van de Hofnar een scootmobiel. Al weken maken we er achterlijke grappen over. Best  leuk om na een uur dansen naar huis te gaan op zo’n ding. Plan: Ik ga zitten, iemand maakt er een foto van, die sturen we door naar onze dansjuf en dan sta ik weer op. That’s it. Flauw en misschien niet helemaal gepast maar leuk voor het moment. Ze scheldt me de huid vol. Ze vindt dat ze volledig in haar recht staat want ik ben een crimineel.

Wat denkt ze nou? Dat ik de scootmobiel mee naar huis wil nemen? Dat wordt een beetje lastig want ik ben met de auto. Trouwens van Valkenswaard naar Aalst rijden met het zo’n apparaat lijkt me sowieso geen aanrader. Dat ik het vervoersmiddel aan flarden wil steken met mijn stiletto? Dat ik ervan geniet om voorwerpen te vernielen?  Of dat ik de eigenaar zout in de wond wil strooien door te laten zien dat ik mijn danskloffie aan heb en dus superlenig en hij of zij zich moet voortbewegen op wielen? Wat ook nog zou kunnen is dat de vrouw lijdt aan smetvrees en dat ze bang is dat mijn zweet aan het zadel blijft plakken. Hoe dan ook, mijn grapje valt niet in goede aarde. Het is niet eens háár scootmobiel.

Ik hoef geen goedkeuring voor mijn baldadigheid. Ik wil ook nog wel sorry zeggen maar ik vind de straf te hoog. Ik ga in hoger beroep. In het echt ben ik best wel aardig, meegaand, in het bezit van empathie, moeder van twee kinderen en ik werk als leerkracht. Ik weet echt wel wat ik wel en niet kan maken. Soms, als ik een drankje teveel op heb neem ik wel eens iets mee naar huis wat niet van mij is maar dat was het dan ook wel.

Ik vraag me af wat ik zou doen als het mijn scootmobiel was. Ik stel het me voor. Vier dames kijken me aan met verschrikte blik. “Willen jullie misschien een stukje rijden, dames? “  “Nee mevrouw, wij willen alleen maar een foto maken, verder niets!” Glimlachend maar verbaasd geef ik antwoord: “O, als dat alles is, ga jullie gang!” Duidelijk een geval van teveel aan empathie. Misschien toch maar eens iets aan gaan doen voordat het te laat is!

 

Oma

Oma

Ze staat in de sneeuw. Ik ben vier jaar en ik zie haar glibberen over de stoep. Samen met mijn klasgenootjes kijk ik naar mijn vergeten rieten tasje in haar hand. Mijn oma.

Ik ben haar eerste kleinkind en ieder jaar op mijn verjaardag vertelt ze in geuren en kleuren hoe ze ’s morgens om zes uur met opa in de auto zit om naar Valkenswaard te rijden. “Och, kijk nou.”, zegt ze, “Ze heeft de handen van onze Huub!” Mijn opa had kolenschoppen van handen, zo erg is heb bij mij nou ook weer niet.

Mijn oma is geen kok. Nooit geweest. Boontjes uit blik en aardappels met slasaus. Rustig eten kan ze ook niet. Nog voordat iedereen z’n bord leeg heeft staan er al twee pakken vla op tafel. Vanille en chocolade. Iets lekkers is er altijd. Van madderijntjes en petetechips tot sjokkemel en een krentenból. Woorden die inmiddels zo bij ons zijn ingeburgerd dat ze nooit meer weg zullen gaan. Ook legendarisch zijn uitspraken als: ‘Twee vliegen in een lap’, ‘Dat heb ik bij Abbert Heijn gekocht’, Onze Henri leest de Dona Duuk en ‘Morgen gaan we naar de vlooienmark.’

Ze is een jaar of 83 als de diagnose wordt gesteld. De eerste tekenen. Ze heeft koffie gezet en ingeschonken maar er is niemand op bezoek. Als Ineke, mijn tante, binnenkomt en vraagt voor wie die koude koffie is antwoordt oma: “Voor jou.” “Maar moeder, ik kom net binnen!” “Oow”, zegt ze vol verbazing. “Dan is onze Henri er ook niet.” Kipfilet koken in de waterkoker is ook een teken aan de wand.

Oktober 2013. Het gaat niet goed met oma. Ik ben op weg naar Helmond met een onbestemd gevoel. Het is avond en donker in de hal van het bejaardentehuis. Ik schrik me te pletter. “VIERENZESTIG” galmt er door de ruimte. Verderop in de hal doen de kienende oudjes mij even vergeten waar ik ook alweer voor kwam. Oma. Ze hoort mijn stem, dat zie ik aan haar ogen. Heel even lichten ze op. Wat later schreeuwt ze van de pijn. Dit is niet goed. Twee dagen later. Het gaat steeds slechter. Haar adem stopt zo af en toe.

En dan, na tien lange dagen, is daar de stilte. Ons mam en mijn ooms en tantes zijn nu wees en wij, alle neefjes en nichtjes opa-en oma loos. Alsof ik een klein stukje kind-zijn aan haar mee geef. Wat rest zijn de herinneringen. Het doosje lepeltjes, het bierglas met verliefd stelletje op het strand, de oude poetsschort, de naaimand en de afschuwelijke veertig-jaar-getrouwd-jurk. Ik zal ze koesteren en dichtbij me houden. Oma het is tijd. Als het waar is houdt opa de poort voor jou open en zal de tijd de rest doen.