Kaas

Een enorme zweetvoetengeur dringt mijn neus binnen. Ik bevind mij op een zitverjaardag, waar ik  moed voor heb  verzameld om er naartoe te gaan. Zo onopvallend mogelijk kijk ik om mij heen waar de geur vandaan zou kunnen komen. Ik verdenk wel iemand maar keiharde bewijzen voor mijn vermoeden heb ik niet. Dan valt mijn oog op de hapjes die op tafel staan. Het aangesneden stuk met oranje korst doet mijn verzamelde vermoedens bijstellen. Iedereen heeft zijn voeten gewassen. Het is erger. De stank blijkt eetbaar. Kaas.

Dat ik niet ga kwijlen van dit voedsel lijkt me duidelijk. De vraag is: wat is het smerigste van het smerigste onder de kazen? Ik persoonlijk twijfel tussen een boterham met kaas of gewoon het blokje van twee bij twee centimeter. Het gaat me niet eens om de smaak maar om de structuur. Het geluid dat je hoort als iemand er in bijt. Nog erger, zo’n blokje aan een traktatieprikker waar iets anders tegenaan heeft gezeten, waardoor het de kleur van dat andere heeft aangenomen. Maar kaas met schimmel erin mag niet worden onderschat. Je gaat toch niet vrijwillig blauwe schimmel eten. Ik weet echt wel dat champignons ook hoofdzakelijk uit schimmel bestaan maar dat proef je in ieder geval niet.

De mensen uit mijn schoonfamilie doen een moord voor een kaasplankje. Ze maken er ook een sport van om naar mij te roepen: “Dat vind jij niet lekker hè Jans?” Verder hou ik wel van ze hoor. Mijn schoonoma (of hoe heet dat) gaat zelfs nog een stapje verder. Ze roept tegen mijn man: “Ja, jouw vrouw houdt er misschien niet zo van maar neem deze ‘kaasfonduekaas’ maar lekker mee naar huis.” Plakjes die naar plastic ruiken en dus vast ook wel naar plastic smaken.

Nu moet ik wel een bekentenis doen. Ik eet wel smeerkaas, tosti’s, pizza’s, aardappelgratin en zelfs “Italian flakes”, stukjes Parmezaanse kaas in de salade. Of Mozarella met tomaat. Ik weet dat sommige mensen van mening zijn dat het hier, behalve de Parmezaanse, niet gaat om kaas maar om slappe aftreksels daarvan. Goed, dat is dan maar zo, dan eet ik die wel op.

Heel mijn leven tot nu toe heb ik zitten wachten op het moment dat ik kaasfondue voorgeschoteld zou krijgen. En dan komt het toch nog onverwacht. Om de paar maanden eten we met vrienden. Steeds wat anders. De niet mis te verstane warmhoudplaat met stekker, is de ultieme confrontatie. “Het is gesmolten kaas, Jans.”, zeg ik tegen mezelf, “zo moeilijk kan het niet zijn.” Dapper draai ik de champignons, de stokbroodjes, de tomaatjes en de stukjes ananas door het vloeibare goedje. Ik moet toegeven dat het onverwacht lekker smaakt. Geen plastic, gewoon warme smeerkaas met een kruidig smaakje. De volgende dag heb ik het gevoel dat de binnenkant van mijn  lichaam compleet uit kaas bestaat, maar dat neem ik op de koop toe. Of de weg nu open ligt naar het kaasplankje? Voorlopig niet!

Cor

Gemiddeld eens in de twee jaar doe ik mijn afwas in bad. Het liefst rond een verjaardag of feestdag, want dan heb je lekker veel vaat. Heerlijk om etensresten van de badrand af te moeten vegen om  daarna zelf weer in bad te kunnen.  Oorzaak: slechte leidingen en dus van tijd tot tijd een verstopte afvoer. Te lang mee doorgesukkeld zodat het water  aangevuld met prut uit de vaatwasser na vele zakken soda en flessen ontstopper zéker niet meer wegloopt.

Er rest ons maar een oplossing, bellen naar een ontstoppingsbedrijf. Dat betekent altijd: mannen met lichtgevende vestjes en werkschoenen in huis, mannen die lompe opmerkingen maken. Eerst heet hij nog  Marty.  Een van het allerlompste soort. Een die zijn tanden niet poetst. Een met het platste Brabants accent. Zegt tegen mijn één jarige zoon, die ik, van de herrie, huilend uit zijn bed heb moeten vissen: “Ja menneke, stopt hoe vingers mer in oe ore want ik gaai nog veel meer herrie maken omda ik heul veul rotzooi moet wegbore.” Vervolgens belt hij zijn maat en begint over een pornofilm die hij gisteren heeft gezien. Marty levert maar half werk en dus staat hij er een half jaar later weer.

Een van de volgende heet Robbert. Robbert heeft last van een ochtendhumeur. Robbert heeft zich niet goed ingelezen want zijn collega heeft ooit een camera-inspectie gedaan. Het is nog donker en de dag voor kerst. Mijn zoon is beneden maar wij liggen nog in bed. Het bedrijf van Robbert moet ons bellen omdat ons manneke de deur niet open wil maken. Nee, natuurlijk niet Robbert. Dat mag hij niet. We beginnen al meteen met één-nul achterstand. Mijn man doet een suggestie waar het probleem zou kunnen zitten. Robbert begint als een kip zonder kop te graven. Als het licht begint te worden is hij al een uur bezig en heeft hij nog niets gevonden. Dan ziet hij het streepje op de muur dat zijn collega gezet heeft. “Meneer u moet de volgende keer gewoon uw mond houden, nu heb ik een uur voor niets gewerkt. Omdat het donker was kon ik het streepje niet zien. Maar ja ik ben de professional dus het gaat u geld kosten.” Totaal uit het veld geslagen blijven we achter.

Maar niet voor lang. Mijn man stuurt een mail die er niet om liegt en in het antwoord krijgen we min of meer gelijk. Een paar weken later. Een gepeperde rekening én een nieuwe verstopping. Cor vindt dat Robbert dit zelf moet komen oplossen. Natuurlijk komt hij op het moment dat ik de kinderen moet gaan halen. Hij wacht wel even, geen probleem.  Poeslief is ie, Robbert. Hij kijkt alles na, spoelt de leiding door, geeft toe dat hij fout zit, wint langzaam mijn vertrouwen  terug. Goed zo COR…Coppelmans Ontstopping en Reiniging. U kunt uw medewerkers gerust op pad sturen. Ze maken hun fouten goed en blijven netjes tegen de klant. Zeg maar tegen Robbert dat ik hem zijn kerst-ochtend-humeur zal vergeven.

Telefoon

Tegen zijn prachtig gevormde sixpack ligt een meisje. Ze staart naar het plafond. De minnaar heeft totaal geen oog voor haar. Hij houdt zijn telefoon stevig in zijn ene hand en met zijn andere hand ‘swiped’ hij driftig over zijn scherm. Aangezien mannen maar één ding tegelijk kunnen, heeft hij vast totaal geen idee wat er zich in zijn bed afspeelt.

Ikzelf  heb  een nieuwe telefoon. Dat gaat zoals gewoonlijk niet vanzelf.  Door een foute levering  is het  een knalblauwe, maar dat neem ik op de koop toe.  Het overzetten van de contacten is wel een ramp, mijn toestel blijkt niet compatible. De nieuwe Simkaart werkt ook niet  optimaal want ik kan geen sms’jes ontvangen.  Wilby, the chatboy van Vodafone, raadt me de kruistest aan. Simkaart in oude toestel, maar past niet. Met rood hoofd peuter ik hem er met een aardappelschilmesje weer uit. Gevolg: bekraste simkaart maar er komen opeens wel sms’jes binnen.

Dan komt pas de echte stress. Hoe werkt dit apparaat? Ik wil zo snel mogelijk Whatsappen , mail ontvangen, en iets posten op Facebook,  maar waarom eigenlijk? Waar komt die rare behoefte vandaan om megabereikbaar te zijn? Blijkbaar willen we niets missen en willen we ook niet dat anderen  ontgaat waar wij mee bezig zijn. Het voordeel is wel dat je minder  gesprekken hoeft te voeren, mensen weten alles al van je.

Wat ik ook bijzonder vind is het soort applicaties dat zich bij voorbaat al op je telefoon  bevindt. Allemaal gericht op mannen. Wat moet ik met een valuta-omreken-tabel of een graden-van-hoeken-berekenaar of een lijstje met klokken die aangeven hoe laat het op de hele wereld is. Boeiend!  Wat ik graag zou willen zien? Een app  die zorgt dat je kinderen op tijd hun jas aanhebben om naar school te gaan, een app die je kan laten verbeelden dat je een lekkere massage krijgt of een strijk-gedaan-kleren-liggen-al-in-de-kast-app lijkt me ook wel wat, maar ja….

Misschien moeten we terug naar de tijd van de blikjes aan een touw. Zou dat de oplossing zijn? Sixpack zou zijn meisje optillen en haar door de slaapkamer zwieren, met haar dansen tot ze honger krijgen, naar de markt gaan om boodschappen te doen.  Daar komt het eerste probleem al weer opzetten. Paniekerig roept hij door het blik “wat wil je eten?”, maar de verbinding is niet optimaal. De camerafunctie kan hij ook  niet vinden en dus keert hij terug met niets.

Dat wordt het dus niet maar iets minder vergroeid zijn met de telefoon zou best mogen. Een app met een soort ‘geest-uit-de-fles’ idee. Dat je, als je te lang wegzakt in je telefoon, terecht wordt gewezen door je persoonlijke gsm-coach. “Jaaaa! Zo is het wel weer genoeg voor vandaag. Weg met die telefoon en geniet maar eens van de mensen om je heen die ook allemaal interessante dingen te vertellen hebben en waarschijnlijk minstens zoveel aandacht van jou verdienen als alle contacten in je telefoon. Thanks coach…(ik zie hier een gat in de markt.)

 

 

Klussen

“Man bijt hond!” , hoor ik als mijn man, met hamer in zijn hand en een bloedvlek op zijn overhemd, de voordeur open doet. Ik zit op de leuning van de bank en kijk naar de chaos in de woonkamer. De afgelopen twee uur is hij bezig geweest met het ophangen van een grote lamp. Een lamp die volgens hem niet op te hangen valt. Er missen onderdelen, uitgangen, draden. De aanhangers van de bond tegen het vloeken zouden al meerdere beroertes hebben gekregen, waren ze getuige geweest van dit tafereel. Maar hij hangt. Dankzij de ingenieuze ideeën van mijn husband waarvoor hij zichzelf al uitgebreid  op de borst heeft geklopt. Hij is alleen nog niet helemaal tevreden over het resultaat. “Misschien komt het door al het gereedschap en  de kapotte onderdelen op de grond.”, opper ik voorzichtig.

“Nee, niet nu!”, wil ik schreeuwen. Toch maakt mijn hart een sprongetje. ‘Ik kom op tv!’ Ik zie de cameraploeg en de enorme pluche microfoon aan een hengel al voor me. “Mogen we even bij u binnen komen? Wat bent u aan het doen?” “Mijn man heeft zichzelf zojuist verwond, er is een bom ontploft en we twijfelen nog over het resultaat maar wat maakt het uit. We komen op tv…bij…MAN BIJT HOND..waarna we helemaal nooit meer  serieus genomen zullen worden. “Kent u onze programma’s? Wie is de mol, De rijdende rechter?” Of we een tientje willen doneren voor het behoud ervan. Ik denk dat wij dat tientje harder nodig hebben!

De woonkamer begint na zes jaar ergens op te lijken. Muren ontdaan van de door een peuterjongetje aangebrachte  potloodstrepen, plinten witgeverfd, kabels weggewerkt. Nieuwe deur in bestelling want andere is onbedoeld op een cirkelzaag gevallen. Niet alle meubels zijn piekfijn. Onze bank, waar onze kinderen met hun schoenen op mogen springen, is het klapstuk. Vette handen, ijsmondjes, chocola, omgevallen bekers ranja, spugende baby’s. Om maar te zwijgen van de andere vlekken. Natuurlijk hebben we dat wel schoongemaakt maar je ontkomt niet aan wat vage littekens.  Afscheid nemen doen we nog lang niet. Deze bank heeft geschiedenis.

Het volgende project is de zolder. Het is mijn beurt om te gaan klussen. En daar ben ik niet goed in. Het betekent in dit geval: poetsen en weggooien. Vooral dat laatste is niet mijn sterkste kant. Oké, ik poets met de Franse slag en ik veeg het stof onder de kast, maar dingen met herinneringen in de kliko gooien kan ik echt niet. Foto’s van mijn jaren geleden begraven katten, piepkleine babysokjes, liefdesbrieven uit de tijd dat die nog bestonden, kapotte souvenirs, een vergeeld exemplaar van ‘Le Petit Prince’, zwangerschapskleding, oma’s oude muts. Mijn beurt om schrammen te maken, innerlijk te vloeken. “Man bijt hond, wat bent u aan het doen?” “Ik zet tastbare herinneringen om in mentale, meneer, maar wat maakt het uit, ik kom op tv!”