Carnaval

Met bonkend hoofd en compleet uitgedroogde keel durf ik voorlopig maar één oog open te doen. Het is al bijna middag en moedeloos kijk ik naar de berg stinkende, enkele uren geleden nog met bier doordrenkte kleren, die ik straks weer aan moet. Ik zie ook een aantal nieuwe, ondefinieerbare  vlekken. Een herinnering flitst voorbij. Die vette plek is mayonaise. Ik ben geëindigd in de friettent. De bak friet van die vent die niet meer op zijn benen kon staan kwam net niet op mijn schoot terecht.  Mijn schoenen zitten vol met resten van natte viltjes. Dan ontdek ik de zonnebril, de roze stropdas en het klaar-overbord. Spullen die ik gisteren aan het begin van de avond nog niet had. Vaag herinner ik me de bijbehorende onzin en ik draai me toch nog maar een keer om.

Carnaval middelbare school. Het begin van mijn liefde voor dit ietwat vreemde feest. Bier drinken en scoren. Banaal maar waar. Lijstjes bijhouden met vriendinnen. Welke heb jij al gehad?  Gouden regel: niet verder gaan dan honk een of twee. Zonde van de avond. Voor de duidelijkheid: honk een is “plekken” . De rest vul zelf maar in. Tips van vriendinnen in de wind slaan want we willen zelf ontdekken welke mannen lekker kunnen zoenen en welke zeker niet. Hopeloos verliefd worden in de weken daarna.

Wat jaren later, gelukkig wel wát wilde haren kwijt. Voor een fulltime leerkracht begint carnaval, bierloos, op school. Taak: de stemming er in houden. Jongens die slidings maken tussen de hossende menigte op hun nummer zetten.  Om bossen serpentines vechtende kereltjes uit elkaar trekken en huilende meisjes die  hun toverstafjes zijn kwijtgeraakt, (ik had nog zo gezegd dat ze die in de klas moesten laten) toch maar troosten.  Na het opruimen, moe maar voldaan, op naar de kroeg.  Uren later verruilen we echte woorden voor slap geouwehoer om hier vervolgens vijf dagen lang in te blijven hangen.

Inmiddels nog wat wilde haren ingeruild voor grijze. Ik werk parttime want twee kinderen. Nee er ligt geen stapel vuile kleren meer naast mijn bed. Nee, ik ben niet dagenlang mijn stem kwijt en  ja, ik lig op een Christelijk tijdstip keurig in mijn bedje. Toch stroomt er nog steeds carnavalsbloed door mijn lijf, dat langzaam begint te borrelen op de ‘donderdag vur de vrijdag’.  Ik verheug me op  de  veel -te-lang- niet- gezien- knuffels, dansen met wildvreemden, de slappe lach om niks, het gezever op straat , het verstoppen onder hangtafels omdat je bepaalde mensen juist niet wil zien, op maandagavond op pad met mijn zusje en slapen, net als vroeger ,  in het logeerbed van ons pap en mam.

Ik ren naar boven. Ik zoek mijn ooit op de kop getikte dansmarietjesonderbroekje met flosje aan de voorkant. Al meer dan tien jaar moet die aan over welk pak dan ook. Het is pas dinsdag vur de vrijdag en ik ben er al bijna klaar voor!

 

 

Kluns

Zou die dove vrouw ook blind zijn? Ze draagt wel een bril maar die is beslagen. Eigenlijk ben ik wel blij dat ze het tafereel niet gezien heeft. Ik ben zojuist, met fiets en al, uitgegleden over een stuk mos aan het begin van ons paadje achterom. Met mijn handen en knie vang ik de klap op en even doet het zo zeer dat ik het liefst zou gaan huilen en nog niet meteen op wil staan. De fiets, die paars is, ligt over me heen. De vrouw komt uit het tegenoverliggende paadje en ziet me NIET. Ongelofelijk maar toch bedankt.

Is dit  een geval van onhandigheid in combinatie met ongeduld  of is het  een dom ongelukje? Soms heb ik mijn motoriek gewoon niet mee. Ik noem bijvoorbeeld bowlen. Mijn bal rolt standaard in de goot, mede dankzij de goedbedoelde maar averechts werkende adviezen van mijn medespelers. Of skiën. Eén keer in zo’n oefenhal. Skileraar van het no-nonsense type, inlevingsvermogen:  nul procent. Hij laat mij aantobben met ski’s en schoenen en kijkt geërgerd als ik, als een achterlijke, voorwaarts de berg op probeer te ‘baaien’.  “Zijwaarts!” snauwt hij me toe. Hij ontploft bijna als ik, eindelijk boven gekomen, uitglijd en ervoor zorg dat ik het klasje, dat keurig staat, om laat vallen als een rijtje dominostenen.

Je kunt mij ook beter geen gymles laten klaarzetten of opruimen. Verborgen camera’s zouden mooi materiaal kunnen leveren, want dit gaat nooit zonder slag of stoot. Stikjaloers ben ik op de leerkrachten die geen gym mógen geven. Wandrekken van de muur trekken, zeulen met springplanken.  Keizwaar. Zweet in mijn handen. Ja, natuurlijk kunnen leerlingen helpen maar ik ben als de dood dat ze ergens onder komen te liggen.  De dikke mat moet op een wankel karretje (een plank met ijzeren stellage op wielen) gehesen worden en daarna vastgemaakt met een riem die nooit past. Ook fijn: trampolines inklappen en met je vingers tussen de veren komen. Het ultieme erg: Ringen met een soort hengel ver boven je hoofd aan haken bevestigen. Extra ramp: gymzaalbeheerders die in je nek staan te hijgen en je op niet al te subtiele wijze duidelijk maken: “dè moet daar dus hillemal nie stan!”

De lijst van onhandigheden is nog niet compleet. Banden plakken, (nog nooit gelukt) spijkers in de muur slaan, (mag ik niet meer van mijn lief) tenten opzetten, (als kind al werd ik onzichtbaar in de tent geplaatst om stokken vast te houden)kasten op school versjouwen, (daar kom ik dan met mijn voet onder) of in de tuin werken (maar dat vind ik dan gewoon niet leuk).

Terug naar de uitglijder met mijn fiets. Misschien toch wat te venijnig de bocht genomen.  Ik wil gewoon snel beginnen aan dingen die ik wel kan. Die vrouw uit het paadje mag dan blind en doof zijn, één zintuig gebruikt ze in elk geval wel, haar zesde. ‘Net doen of ik haar niet zie’, heeft ze gedacht. ‘Zo doet het al pijn genoeg.’

 

Jagen

Tegenwoordig zie je nog maar weinig mannen triomfantelijk de supermarkt uitkomen met het eten dat ze gescoord hebben. Dat komt natuurlijk omdat ze er geen enkele moeite meer voor hoeven doen. Dat mannen in vroeger tijden achter wild aan moesten om in hun eerste levensbehoeften te kunnen voorzien, zie je nu alleen nog terug als ze op jacht zijn naar drank, auto’s en vrouwen.

De man in het sieradenwinkeltje neemt zijn taak erg serieus. Hij heeft  vast een goede beoordeling voor het onderdeel verkooptechniek. “Is uw kleinzoon een beetje stoer?”, vraagt hij met tevreden glimlach aan mijn moeder. Zijn buik hangt wat over de toonbank waar hij net tevreden de oorbelletjes voor de meisjes in heeft staan pakken. “Mwa”, zegt mijn moeder. “Dat wil ik nou niet echt zeggen.”

“Mijn kleinzoon, ook niet hoor!”, zegt hij innemend en het lijkt erop dat hij dit meent. “Hij speelt met de poppen van zijn zus, kookt op een keukentje met vooral meisjeskleuren (dat geloof ik dan niet helemaal, hij dikt het aan om het wat spectaculairder te maken) en met Sinterklaas heeft hij van mij een roze stofzuiger gekregen. En dat heb ik geweten! (Nu komt hij echt los). Ik heb ruzie gekregen met zijn andere opa. Straks WORDT hij nog homo, zei hij. Ik heb hem mee naar buiten moeten nemen en heb hem  duidelijk gemaakt dat hij heel snel zijn mond moest houden.”(Jaja, meneer, u wel.)

Natuurlijk hebben ze in het winkeltje ook dingen voor jongens. Hij loopt naar de afdeling kettingen en kralen en plukt van het ene rekje een zwartleren veter en rommelt uit het vakje met kralen, jawel, een HAAIENTAND! Mijn zus en ik zijn een dagje weg met onze moeder  en wij twee staan al op het punt om gillend van het lachen af te haken.  Mijn zoon is doodsbang voor haaien. Als hij in bad zit denkt hij al (met dank aan mijn vader en Annie MG Schmidt-(zie Daantje en het kraantje))  dat er een haai uit te kraan komt dus ik zie hem nou niet bepaald rondlopen met zo’n ding om zijn nek.

“Nou, eh nee”, zegt mijn moeder. “Dat past niet zo bij hem.” “WAAROM NIET?”, reageert de verkoper enigszins verbolgen. “IS DAT DAN NIET STOER?” Hij begint steeds harder te praten en wij weten niet hoe snel we het pand moeten verlaten. “We zeggen toch dat hij NIET stoer is en bovendien is het nog lelijk ook. Ooit een  kleuter met een haaientand gezien, zonder dat hij afkomstig was uit een of andere achterstandswijk? Nou dan!”

In een flits zie ik mijn zoon staan. Hij is een jaar of zestien. Om zijn nek hangt de haaientand. Trots pronkt hij met het sieraad. Eindelijk heeft hij zijn angst voor haaien overwonnen.  Een deel van het jagersinstinct is toch ook nog bij hem naar boven  gekomen. 

Verkooppraatjes

“De passie van Bassie”,  zegt hij met een losse glimlach om zijn mond. De grap die hij er dan standaard bij maakt is dat zijn vader Adriaan heet. Dus? En? Hij probeert de lachers op zijn hand te krijgen en het vertrouwen van eventuele klanten te winnen. Zijn slogan: ‘Social Media Proof in honderd  dagen? Dat kan!’ Ik ben per ongeluk in een workshop terecht gekomen.  Zijn doel is niet geheel mijn doel. Ik doe in ieder geval genoeg inspiratie op.

Mijn brein draait op volle toeren, ik probeer te begrijpen wat hij allemaal zegt. Hij heeft het over trending topics die je zelf kunt manipuleren. Hij praat over sentimentele pieken en dalen, en dat het best gevaarlijk is om deze klakkeloos voor waar aan te nemen. Ik twijfel of ik me in een sentimenteel dal bevind  of dat ik dit toch als piek mag bestempelen. Zijn knipoog is net iets te vet als hij er ons op attendeert dat we GPS op onze telefoon hebben en dat het misschien verstandig is om deze uit te schakelen, mocht je komende Carnaval uit de bocht willen vliegen. Ervaring, Bassie? Met passie?

Ik dwaal af. Mijn oog valt op de spitse schoenen die hij draagt. Schoenen die per definitie te groot lijken. Lelijk zijn ze niet hoor maar wel vaak gedragen door mannen met een grote hoeveelheid zelfvertrouwen. Onwillekeurig kijk ik ook naar de schoenen van de andere deelnemers. Ik zie een handje vol andere spitse schoenen, ik zie  honingdropschoenen (model: vierkant) en vrouwen met hippe, platte stappers onder een broek van  dezelfde kleur, type: leren-rugzakje -op -de -rug -laten hangen en intelligente vragen stellen. Ik stop ook nog even bij mijn eigen schoenen maar weet  zeker dat er nu geen mens de moeite neemt om daarnaar te kijken.

Terug naar Bassie, helemaal in zijn sassie. Social Media proof in honderd dagen. “Krijg ik ook mijn geld terug als het niet gelukt is?”, vraagt één van de ondernemers bloedserieus. Ja, daar durft hij zijn hand wel voor in het vuur te steken. Nee, winst maken dat is dan weer een ander verhaal.  Ik begin me steeds dommer te voelen. Waarom wil je iemand als Bas dan in de arm nemen? Ik ben zelf ook een soort van ondernemer. “Zeg eh, als we niet gelachen hebben vanavond bij jouw workshop, hoeven we dan niet te betalen?” Opeens staat mijn zakelijke ik op en snap ik wat hij doet. “Ik garandeer je, behalve als je van nature een narcist of gewoon een chagrijnige zak of zuurpruim bent, een paar uurtjes vol plezier. Zo niet krijg jij je geld terug.” Hoewel, heb ik ooit geld terug gezien van een boek waar ik geen klap aan vond of van een smoezelige hotelkamer? Nee!

Beste Bas, jij kunt ook nog iets van mij leren!  Je zult verstelt staan wat mensen van zichzelf laten zien,  zónder Internet. Data met een vleugje nostalgie. De volgende workshop is bij mij. Grappen maken én erom lachen kun je al…