Taal

Vol verbazing kijk ik naar het schoolbord. Mijn chaotische wiskundeleraar met grijs, onbewust ‘just out of bed’ haar, tekent gedreven een aantal vectoren. Ik zit in de brugklas en vind dit totaal nutteloos. Als hij een week later op de proppen komt met parabolen, haak ik af voor het leven. Ik begrijp echt niet wat de bedoeling is van deze bergen en dalen die overigens passievol getekend worden. Nog minder begrijp ik trouwens, als we het toch over school hebben, dat er mensen bestaan die dit totale huh?-gevoel hebben op taalgebied.

Zo moeilijk is het toch niet om te onthouden wanneer jou een ‘w’ krijgt. Echt erg is de onverschilligheid waarmee sommige mensen verklaren: “Wat maakt die ene letter meer of minder nou uit!” Maar: ‘ik houw van jouw’ zit er toch niet geloofwaardig uit of ben ik nou gek? En neem voltooid deelwoorden. Ik leer kinderen van zeven jaar de regel van het woorden langer maken. Het is dan net een niveautje hoger  maar, behalve als er iets mis is met je oren, hoor je wat je moet schijven.

Het kan erger, zeker! “Hij maakt zich er met een leien dakje vanaf.”, “Dat is water op de molen van de jeugdzorg”, “Geef mijn portie maar aan Flipper.” en “Twee vliegen in een lap.” Echt gehoord. Het meest opvallende daarvan is dat deze uitdrukkingen gebruikt worden,  zonder enkele aarzeling die verraadt dat de spreker het zelf ook niet precies weet. Ik voel me niet geroepen om het te verbeteren. Ik zoek alleen nog een manier om mijn lach te kunnen houden tijdens een serieus gesprek.

Taal is overal, altijd. Taal kan me raken. In een seconde kan ik stil vallen door mooie woorden. Neem dit: Toon Tellegen. ‘Het regende en ik zou je nog vertellen. Het regende en ik was razend op mijzelf. Het regende en ik dacht aan de zomer. Het regende en het was misschien maar beter zo.’ Ongrijpbaar en vaag en toch weet ik precies wat de schrijver bedoelt (met een ‘t ‘ja, want dit heeft NIETS  van doen met langer maken) Dat hoop ik ook over te brengen aan mijn lezers. Ze te ontroeren al weten ze niet precies hoe het komt.

Terug naar mijn onderontwikkelde kant, wiskunde. Nu snap ik opeens waarom het niet binnen komt bij mij. Er komt geen taal aan te pas. Hoogstens wartaal. Die wartaal wordt dan vervolgens door een exacticus aan de man gebracht. Hij vraagt zich niet af of zijn wartaal op de plaats van bestemming is aangekomen. Toetsen kan hij dat ook niet. De gemiddelde mens gebruikt in zijn dagelijks leven geen parabolen en vectoren. Bètameneer  hoort niemand roepen: “Acht wat maakt een millimeter meer of minder nou uit!” Wat zou het een verademing zijn voor de talige mens als het werd uitgevonden. Taal om mee te rekenen. Niemand? Nee…, het bewijst maar weer dat ik er geen hout van heb gegeten! 

Uitverkocht

“Nee gij trekt volle zalen”.  Deze opmerking betekent meestal niet veel goeds. Het suggereert dat de commentator in kwestie niet erg boeiend is. Ik droomde het vaak: ik sta op een podium, spot aan, zaallicht gedoofd. Het theater is tot de nok toe gevuld met mensen en ik weet dat het niet haalbaar is. Tot nu. Met een brok in mijn keel en trots als een pauw kondig ik aan dat onze cabaretvoorstelling is UITVERKOCHT.

Er moet nog heel wat gebeuren voordat we het waar kunnen maken op 3 april. De krant is geweest. De fotograaf heeft glimlachend zijn plaatjes geschoten. De tweede mini try-out  annex podiumrepetitie levert ons weliswaar fijne commentaren maar zeker niet het gewenste resultaat op. Als we binnenkomen staat er in tegenstelling tot wat ons beloofd is NIETS klaar. De jongen achter de bar heeft weinig zin om ons te helpen en denkt er met een onverschillige ‘ik-weet-van-niks-blik’ vanaf te komen. Dat heeft hij dan toch mis. Met tegenzin wordt een reddende engel gebeld die voor ons op zijn knieën valt van schaamte en ons overlaadt met excuses, maar ons alleen kan helpen aan een cd-speler. Geen microfoons,  geen scherm, geen beamer, geen beeld, geen…ach laat ook maar.

Ik maak vast een sprong naar volgende week, wanneer  alles wel piekfijn in orde komt. Het is twee uur ’s middags. Ik haal de pauze-appeltjes en de bloemen op. Ik begin de spanning in mijn lijf te voelen. Bepakt en bezakt met gitaar, outfits en attributen stap ik binnen. Ik leg alles op volgorde klaar, zie hoe het mis gaat met de beelden, de muziek, maar  ik zie ook de oplossing. Het eerste beeld verschijnt op het scherm.

Als een TGV trekken de minuten aan mij voorbij. Over een uur al zullen de eerste mensen binnendruppelen. Wij trekken ons terug. Het geroezemoes, het geschuif van de stoelen. Het zweet in mijn handen. Kippenvel op mijn rug bij het horen van de eerste klanken van Stromae. Totale stilte in de zaal. De stem van onze enige mannelijke speler door de microfoon. Hij noemt een serie eigenschappen die je allemaal moet hebben als leerkracht en dan gaan we allemaal the spotlights in. Ik dwing mezelf – voordat het allemaal voorbij is- te genieten van het lachen en teksten als:  ‘basisschool de Regenlaars, wie heeft dat bedacht?’, ‘Afstemmen, afstemmen, afstemmen.’,  ‘Of heeft u soms last van LBS?’

Opeens is het afgelopen. De zaal loopt leeg. De reacties daar gaat het om, het nagenieten. En heb je ons gemist? Geen nood. Volgend jaar januari, om precies te zijn, zondag 25 januari om 15.00 uur, staan we in de Hofnar. Een echt theater waar licht en geluid altijd aanwezig zijn. Dan dromen wij alvast weer even verder over een tweede zaal UITVERKOCHT! (wil je op de hoogte blijven, stuur dan even een mailtje naar janskevangerven@live.nl of lees binnenkort het Hofnar programmaboekje)

Aaseejtiejon

“Wij kope tegeworrig bij dun Aaseejtiejon!”, verkondigt de man met mosgroene, openhangende, oversized jas, hoog opgetrokken en té  blauwe spijkerbroek en bruine (normaal voor binnenshuis) slippers. “Da stoat sjiek.” Zijn stem galmt over straat. De man tegenover hem kijkt hem niet-begrijpend aan. De bulderende lach geeft aan dat de spreker zichzelf ongelofelijk grappig vindt én dat hij er zonder twijfel van uit gaat dat zijn toehoorder hem begrijpt.

In het onderste schap liggen honderden paren sokken met kleuren die het daglicht niet kunnen verdragen. Er staat een vrouw voorovergebogen in te graaien. Haar uit de kluiten gewassen achterwerk is bedekt met een knalroze broek en om haar bovenlijf knelt een te kort paars jasje dat niet matcht  met de broek. Aan haar voeten  zomerschoenen met dikke spekzol die al meer dan vijftien jaar uit de mode zijn. Door de openingen piepen stukjes sok van de soort die ze nu ook weer wil aanschaffen.  “Wa zou da koste?”, roept ze veel te hard in de ruimte.

“Hedde gullie ok fietsbande?”, roept een andere vrouw, ook niet bepaald zachtjes. De verkoopster staat naast haar. “Menne fiets is dus kapot hè! En als ge gewend bent um te fietse dan valt ut dus nie mee um te lope. Nou moet ik dus te voet ne fietsband goan kope. Witte  waarum? Want menne fiets is kapot dus.” Tijdens het praten eet ze haar onderlip bijna op. Haar ogen staan verwilderd en schieten alle kanten op. Haar haar is spekvet en haar paarlemoeren nepleren laarsjes steken treurig af bij haar andere,  grijze kleding.

“Moeder, zit is nie zo verrekkes te zeiken!”, hoor ik achter me. Ik weet van gekkigheid niet meer waar ik moet kijken. Het is wederom te hard en ik krijg er kippenvel van.  De zeebonk-achtige kampsjaak maakt zijn moeder verbaal af. Zijn wangen zijn rood van de drank, zijn tanden bruin van de koffie en zware shag. De kussentjes op zijn handen en zijn laaghangende buik verraden het teveel aan vette snacks. “Als gij vindt da ge neie koffiekumkes noddig het, dan vatte gij die JA? Mer val mij dur dan nie mee laastig.”

Waarom roepen AL deze mensen zo hard en waarom zijn ze allemaal in deze winkel? Ja, ik ben er zelf ook, maar dat komt omdat ze hier alles bijna voor niks weggeven en dat wil iedereen natuurlijk. Voor wie het nog niet door heeft: ik bevind mij bij de A-C-TI-ON. Juist ja! Een bron van inspiratie voor theatermakers. Mijn gedachten raken in een stroomversnelling.  Ik ga een dagje meedraaien, verkleed als medewerker. Scenarioschrijver undercover. Ik zal oren en ogen tekort komen. Ik zal vragen beantwoorden en erachter komen waarom Actionklanten pur sang misschien noodgedwongen zo hard én in dialect praten.

Ik zie de vooraankondiging al hangen: In het theater, najaar 2015. ‘Aaseejtiejon de gekste jongu!’ Ik zeg: ACTIE!

Stout

“En toen ging mama heel boos sproeien”, zegt mijn  vierjarige zoon in pyjama tegen mijn moeder. Het is pas kwart over vijf ’s middags en ik heb hem net slapend uit zijn bed geplukt. Blijkbaar heeft het bad, en de reden waarom hij er vóór het eten in moet, hem veel energie gekost.

Zijn papa is jarig en komt bijna thuis. Mijn zoon speelt met zijn ondernemende buurjongetje. Het spel is wat jongensachtig maar acceptabel. Opeens zijn ze weg. “Naar zijn oma.”, roepen ze nog. Even later hoor ik een mopperende mannenstem, mijn buurman. Ik zie mijn zoon  aankomen. Hij loopt op zijn tenen in een zeer langzaam tempo. Als ik eens goed kijk, zie ik dat hij van onder tot boven vol zwarte modder zit. Zijn beste schoenen wegen een kilo per stuk, zijn nog geen uur geleden aangetrokken, nieuwe spijkerbroek en T-shirt, zijn veranderd in een soort camouflagekleding. In zijn gezicht dikke klodders prut. Met schuldbewuste blik komt hij op mij af. Hij stinkt maar het liefst zou ik hem met modder en al plat knuffelen. Ik doe het niet. Ik geef hem een welverdiende preek, zet hem met kleren en al in bad. Hij waagt het niet om te miepen. Mijn lieve, ondeugende, kleine, grote zoon.

Een paar uur daarvoor. Met lege blik richt ze het waterpistool op mijn gezicht. Het komt zo dicht bij dat ik het met mijn neus aan kan raken. “Niet doen”, zeg ik duidelijk en zo rustig mogelijk want ik weet dat  ik-boodschappen bij haar niet aankomen. In mijn ooghoek zie ik haar vader naderen. Als een roofvogel kijkt ze me aan en richt opnieuw. Mijn repliek is niet te flauw en ik verlaat het speelveld voordat ik mezelf ga  verliezen in strafbare feiten. Vader staat verbouwereerd met zijn ANWB-wandelschoenen in het zand. Nog net hoor ik hem zeggen: “maar prinsesje, dat mag je toch niet doen.” Ongestoord wordt het pistool nu op dezelfde dreigende manier tegen de neus van vader geduwd.  Dan herinner ik me een ander incident met hetzelfde  speelgoed. Het prinsesje speelt in onze tuin. Het is zomer en ik geniet van een splinternieuw, voor mijn verjaardag gekregen boek. Na drie , niet mis te verstane waarschuwingen, landt er een grote plas water op hetgeen dat ik lees. En nu heel gauw weg jij, prinsesje!

De woede die ik voel opkomen als ze een hand vol zand in mijn zoon’s  gezicht smeert heeft niets te maken met de gespeelde boosheid om de modder. Het is de grenzeloosheid versus het kwajongensgedrag. Het is de roofvogel of het babyaapje. Het is de moederliefde die  ervoor zorgt dat ik kan balanceren tussen tolereren en inzicht geven. Kinderen worden alleen leuk als je af en toe eens niet toegeeft.  Het is ook mijn moederhart  dat  mij vertelt dat dit prinsesje niet meer dichterbij hoeft te komen. Ik ben zelf echt geen pedagoog  hoor,  maar  wanneer begint de cursus:  ‘Opvoeden voor blinde prinsessenouders?’  

Verliefd

“Sorry!”, zegt zijn moeder. “Ik vind het ook heel erg.” Met betraand gezicht stapt mijn dochter uit de auto van haar vriendje. Het mannetje heeft haar net verteld dat hij niet meer verliefd is maar nog wel vriendjes wil zijn.  Mijn vijfjarige dochter weet al dat dát niet kan. Doet veel te veel pijn. Haar verdriet is puur.

Zijn naam wordt hier in huis niet meer genoemd. Afspreken komt er niet meer van. Andere jongetjes krijgen haar aandacht, maar ik voel geen echte liefde. Het is leuk tijdverdrijf maar daar houdt het wel mee op. Sorry jongens haar hart is al gestolen maar ze zal vast lief voor jullie zijn. Zonder dramatisch te doen: ze kan hem niet vergeten, dat voel ik, dat weet ik. Valentijnsdag. Er gaat een hele stapel brieven  mee naar school. Ik slik even als ik zie dat er voor hem ook een bij zit.

“Mama”, roept ze als ik thuis kom van mijn werk. “Ik heb verkering!” “Met wie?”, wil ik vragen maar ik krijg de kans niet. “Hij is ook weer op mij!” Het geluk in haar ogen maakt van mij een weekdier. Zijn moeder komt opgelucht vertellen dat ze een verliefde zoon heeft met echte vlinders. Dan  is het vakantie. Vrijdagmiddag. Mijn meisje zit sip te kijken. “Ik mis hem zo.”, zegt ze zuchtend. “Dan schrijf je hem een brief.”, antwoord ik zo achteloos mogelijk. Stiekem ben ik blij dat ze mijn raad opvolgt. Dit zal binnenkort vast anders zijn. Huppelend stopt ze de brief vol hartjes bij hem in de brievenbus.

Een dag later, een klop op het raam. We hebben carnaval gevierd en mijn dochter heeft zicht ontdaan van haar prinsessenjurk.  Ze loopt rond in een maillot met een  groot gat in het kruis en een vaal gewassen pyjamajasje. Voor het raam staat een heel knap jongetje met twinkeltjes in zijn ogen. Mijn hart maakt een sprongetje. In zijn hand heeft hij een doosje met  daarin twee brieven, besprenkeld met parfum. Mijn meisje is totaal overdonderd maar ze straalt! “Gatver dat stinkt!”roept onze nieuwsgierige zoon als hij aan de brief ruikt maar niets kan het romantische tafereeltje verstoren. “Lief sgatje, ik ben vurlieft op jou, kom je nog eens speelen?”, staat er in een van de brieven. Zijn  moeder maakt foto’s vanuit de auto. De knuffel van de twee minimensjes naast mij is onbetaalbaar.

Onvoorwaardelijke liefde. Voor dit moment. Niks ‘playing hard to get’, of ‘ik ga echt niet zeggen wat ik voel!’ Ze zullen hun neus nog vaak genoeg stoten, samen, of los van elkaar. Met vallen en opstaan. Littekens krijgen. Maar laat dit hun eerste onvergetelijke herinnering worden. Een die je het liefste in een doosje zou willen doen!