Koningsdag

“Mama, ik heb zo’n superfijne middag gehad!”, zegt mijn dochter met slaperige ogen terwijl ze haar spijkerjasje scheef dichtknoopt. De gewonnen minidolfijn zit strak in haar hand geklemd.
 
We hebben ons laten verleiden om met onze kinderen naar de Koningsdagspelletjes te gaan. Lange rijen, voordringende oma’s , bierdrinkende, ongeïnteresseerde vaders en huilende kinderen staan op het programma. Het concept is fantastisch. Munten verdienen die je vervolgens kunt gebruiken als betaalmiddel. Een kaart om de spelletjes op af te strepen.  We treffen goede bekenden die ons uitnodigen samen te doen met één kaart. 

De eerste drie spelletjes gaat het goed maar dan is de skippybalrace aan de beurt. De mevrouw die dit spel leidt, neemt haar taak serieus. Dat zie je aan haar blik. Ze kijkt als een havik en ook haar neus lijkt op een snavel. Het perfect geknoopte rood-wit-blauwe sjaaltje verraadt niet alleen chauvinisme maar ook  gevoel voor rechtvaardigheid. Vier op een rij zitten onze kinderen startklaar. “Waar zijn de andere kaarten?”, zegt ze met hoge, verstikte stem als ze er maar één ziet. Natuurlijk weten wij ook wel dat het behoorlijk sneu van ons is maar we hebben toch geen tijd voor alles dus whatever. Kordaat trekken we onze kinderen van hun skippyballen en zeggen kinderachtig dat het bij andere spelletjes wel mag. Haar: “nou ja vooruit dan.”, heeft geen enkele zin meer. 

Tijd om te rellen. We beramen een tegenaanval. Onopvallend schuift de moeder van mijn dochters vriendinnetje en partner in crime de net afgetekende spelkaart onder mijn arm.  Voor ons blokkeert een vrouw met haar scootmobiel de doorgang. “Hoeveel munten hebben we al?” vraag ik. “Stuk of dertig, waarom? “ “Hoeveel zou het kosten om een rondje op die scooter te rijden?” Lachend duwt ze me naar de rij van de ijsjes waar we maar één papieren bon voor hebben maar we er toch vier scoren omdat WIJ best ook met spelletjesmunten mogen betalen.

Ze willen paardrijden. Niet bepaald mijn lievelingsdieren.  Mijn dochter’s mond valt open van sensatie als ze haar op het grote zwarte paard hijsen. Mijn zoon heeft het zweet in zijn handen. Gelukkig krijgt hij een micropony, zijn voeten slepen bijna over het gras. Een glimlach verschijnt op zijn gezicht. 

Klap op de vuurpijl is het spuiten met de brandweerslang. Houten vlammen in een geveltje met uitgespaarde raampjes ‘blussen’.  In de rij staat een volwassen man zonder kinderen, hij wil ook graag een keer spuiten. Benieuwd wat hij te blussen heeft. Dan zie ik dat zijn ogen niet helemaal goed staan.  Ik bijt keihard op mijn onderlip. Er is bijna geen houden meer aan maar opeens krijg ik een klets water in mijn gezicht. Mijn dochter staat gierend van de lach met de losgeschoten brandweerslang in haar hand. 

We eindigen de dag met een biertje en een onverantwoorde vette hap. En ja het was een leuke middag. Wat heb je weinig nodig voor geluk. Supergeluk. 

Meivakantie

Vandaag iets eerder dan normaal een column. Daarna is het vakantie tot 13 mei

Toeval

“Heeft ze geen toeval gehad?” , hoor ik in de verte. “Word eens wakker!” Ik krijg mijn ogen niet goed open maar als dat toch lukt zie ik vaag iemand in geel supermarkttenue, mannen met lichtgevende vestjes  en een grote, onbekende hand die de mijne vasthoudt. Ik heb  geen idee waar ik ben maar de mannen om mij heen werken rustgevend. Het volgende moment lig ik in een ziekenhuisbed. Ons pap zit op een stoel naast mij en vraagt of ik nog weet dat we vanmorgen, op school,  nog gewoon samen gewerkt hebben. Ik weet het echt niet. Wat ik wel weet is dat ik geen tijd heb om in het ziekenhuis te liggen, mijn dochter wordt morgen één en mijn kleine nichtje is jarig.

Opeens herinner ik me de kookworkshop, de misselijkmakende geur van lavendel en kardemom, de overheersende smaak van de  verse munt in de koude komkommersoep. Ik weet ook weer dat ik vanmorgen een ontmoeting had op de wc met een collega die ook moest kotsen. Daarna het kokhalzend aftuigen van de kerstboom in mijn klas. In een flits zie ik de rest. Ik sta op het punt om een zakje peren af te wegen in de supermarkt  maar dat lukt me niet. Alles wordt zwart en ik klap genadeloos tegen de grond. Het toeval wil dat ik gevonden wordt door mijn EX! Jippie. Waar komt hij nou weer vandaan? Ik zie er vast fantastisch uit.

Ik ben er van overtuigd dat toeval  niet bestaat. Natuurlijk gebeuren er dingen onverwacht maar ze gebeuren nooit zo maar. Laatst zei iemand. “Als toeval niet bestond had ik al lang de loterij gewonnen.”  Een grapje natuurlijk maar volgens mij is dat iets anders. Net als het noodlot maar daar waag ik me liever niet aan. Misschien is deze theorie alleen weggelegd voor dromers. Hoe kan het dat je soms  ’s morgens al weet dat je iemand tegen gaat komen. Dan vergeet je dat weer, fietst een compleet andere weg dan anders of zet je auto op een parkeerplaats  die je nooit gebruikt en dan opeens die ontmoeting.  Of waarom staat er op het moment dat je ,bij wijze van spreken, in elkaar geslagen denkt te gaan worden opeens een reddende engel uit het niets voor je neus…? Het zal vast wel aan mij liggen dan.

Ik word al misselijk als ik een ziekenhuis binnenkom. Zelfs al ben ik slechts op bezoek. De geur staat me niet aan. Nu is het anders, ik laat het maar gebeuren. Ik kijk naar het infuus dat in mijn hand zit geprikt en  besluit om niet nog eens flauw te vallen, dat wordt zo saai. De witte stickers mogen van mijn lijf, mijn hart is nog goed.  Ik heb geen epilepsie, ik ben niet zwanger en ik heb zeker geen toeval gehad. Ik heb gewoon iets verkeerds gegeten. Waarom dan dit hele circus? Geen lavendel meer voor mij én ik ben, jammer genoeg buiten bewustzijn, spectaculair afgevoerd met de ambulance, toevallig!

Pasen

“Heb jij dat echt gedaan? Ik kan het bijna niet geloven!” Met haar ogen vol tranen en afgezakte mondhoeken kijkt ze me aan. Haar lip trilt en verbeeld ik het me nou of heeft ze echt hazentanden.  “Heb jij mijn dochter verteld dat de paashaas niet bestaat? Ze is pas negen jaar. Zeg dat het niet waar is!” Ik slik en weet dat ik mezelf hier moeilijk uit zal kunnen redden. Ik dacht dat kinderen van groep vijf, die niet meer in Sinterklaas geloven,  ook wel weten dat de schim in de tuin geen HAAS is maar waarschijnlijk een vader in een ‘toch-nog-best-koud-bruine-badstof-pyjama.’

De magie van Pasen is volgens mij niet WIE de eieren verstopt maar vooral WAAR  en hoeveel zijn het er.  Gewapend met toch nog één keer je winterjas en je rubberlaarzen de tuin in. Ook al ben ik al lang de maximale toegestane zoekleeftijd gepasseerd, ik voel het nog steeds. In de serie ‘Janske kan ook klimmen’, bestaat ook: ‘Janske kan ook paaseieren vinden.’ Eigenlijk is het ‘Stop met zoeken klein meisje want het is zo gênant voor je grote zus als ze steeds net achter het net vist. Het is niet zo dat ik de glinsterende papiertjes niet zie maar gewoon later. Helaas heeft mijn dochter deze eigenschap geërfd en moet ze het niet alleen opnemen tegen haar kleine broertje maar ook nog tegen haar twee razendsnelle nichtjes. 

Onze kinderen zijn nu zo groot dat ze iets van de betekenis van Pasen meekrijgen. En het aparte is: ze pikken het gewoon. Dat valt trouwens over het algemeen te zeggen over  dingen die op school verteld worden. Als je er goed over nadenkt is het natuurlijk absurd. We gaan bij familie op bezoek, zoeken eieren en eten die eieren op omdat tweeduizend jaar geleden iemand is verraden door zijn vrienden,  op een barbaarse manier is vermoord en drie dagen later uit de dood is opgestaan. Zo kon hij aan zijn hypocriete vrienden laten zien dat hij toch nog in hun hart zit en dat ze hem nooit meer hoeven te vergeten zolang ze denken dat een stukje uitgedroogd brood zijn lichaam is en een beker wijn zijn bloed. Oké, goed verhaal.  “Wie vindt het zielig voor Jezus?”, roept mijn oudste nichtje vrolijk. “Vinger opsteken!”

Wat een bevrijdend gevoel. We hebben medelijden getoond aan Jezus! We hebben ons ziek gegeten aan gekookte en chocolade eieren en hebben de glimmende papiertjes gladgestreken. Volgens mij moeten we dat ook doen met het paasverhaal. Jezus, dat we dat niet eerder gezien hebben.  Die eieren betekenen: bedenk niet alleen maar voer ook uit. Laat je dromen uit je hoofd komen. Dat opstaan uit de dood is: maak jezelf onsterfelijk door wat dan ook. Dat gedoe met die vrienden: veel heb je er niet nodig maar ben zuinig op dat wat goed is. “Ik vat nog een ei.”, zegt mijn vader en gooit er een de lucht in. Helemaal niet zielig voor Jezus maar knap, echt knap!

 

Voorstelling

Zwaar bepakt en bezakt stap ik het Hazzo binnen. De hal zit vol kaartende en trappist of advocaat drinkende vijfenzestigplussers die de leukste thuis zijn. Eén mevrouw loopt over van nieuwsgierigheid en wil maar al te graag de deur van de theaterzaal voor mij open houden in ruil voor wat exclusieve informatie.  Ik kom binnen en ik weet nog niet of het goed gaat komen vanavond.

Op het podium staat een hoogwerker en er is nog geen microfoon te bekennen maar dat is niet hetgeen dat  het meest mijn aandacht trekt. Aan een stang hangt een scheef stukje opgefrommeld katoen van twee bij twee wat een projectiescherm zou moeten zijn, maar in deze grote ruimte lijkt het nog het meest op een kladblaadje. Voorlopig durf ik er niks van te zeggen. Hangmicrofoons? Gisteren is mij vertelt dat we die tegen betaling kunnen huren maar dat we dan het meest fantastische geluid krijgen. Nu is het opeens weggegooid geld. Headsets dus. Maar wel maar vijf en dat betekent dat moeten we wisselen. De beamer gaat aan en projecteert ónder het ‘doek’. “Ja, dan zullen we moeten overstappen op een groot scherm.”, roept de techneut met trieste blik vanuit zijn hoogwerker.

Omdat er gegeten moet worden halen we een snelle vette hap voor de meisjes  en twee broodjes gezond voor onze mannelijke collega. Hij is bang dat hij van teveel vet boeren en scheten moet laten. Het voordeel van een amateuristisch theater is dat je op het podium kunt eten, in een kringetje op de grond. De theatertechnicus kijkt kwijlend maar zwijgend toe.  Rechts van me hoor ik een flep- geluid. Een half broodje gezond bedekt de vloer waarop wij straks zullen staan.  Het geklungel met groot, eveneens gekreukeld doek, kabbelt voort.

Nog tien minuten te gaan. Het vet, de cola en de stress doen hun werk. De zaal stroomt vol. Stiekem kijken we, als kinderen, vanuit de coulissen wie er allemaal zijn. De muziek gaat aan, we lopen op en we krijgen nu al zo’n hard applaus dat ik het er warm van krijg, mijn zenuwen ben ik meteen kwijt. De zaal grinnikt al bij het eerste zin die  we zeggen en regelmatig hebben we het hele publiek hard aan het lachen. Het tilt ons allen op zodat we stuk voor stuk de sterren van de hemel kunnen spelen.  De commentaren na afloop zijn als een warm bad en gemeend.

Midden in de nacht fiets ik met mijn hoofd in de wolken naar huis. Het is muisstil op straat. Ik weet nu al dat ik niet zal kunnen slapen. Ik ben dolgelukkig dat we over een tijdje nog een keer mogen, want ik kan dit nu nog niet laten gaan. Dan in een echt theater. Geen geklooi met de techniek, niet zelf de stoelen klaarzetten volgens visgraatmodel en het achterdoek keurig gladgestreken.  Worden we veeleisend? Ja inderdaad.  Maar de lat gaat ook voor onszelf hoger. Thuis op de radio Stromae. Toeval bestaat niet.  FORMIDABLE!