Vuilniszakken

“Twee ouwes en vier goeies.”, zegt mijn zoon droog als hij de kamer rond kijkt. We zijn op bezoek bij  de oma van mijn man en de buurman, die ook stokoud is, is zojuist binnen gestrompeld. In de ogen van een vierjarige is zó oud blijkbaar niet pluis. Mijn dochter laat haar onderlip zakken. Zo is, ook zij, onder de indruk van de antieke verschijning.

Even ben ik bang dat hij komt vertellen dat zijn vrouw dood is, of we even willen helpen, maar het blijkt om iets anders te gaan. Hij komt schooien om vuilniszakken. Hij heeft geen zin om naar de winkel te gaan. Dat lijkt me, in zijn toestand, ook geen goed idee. Mijn man schiet te hulp, oma in de paniekstand en de kinderen naar de keuken. Ik blijf moederziel alleen achter met een bejaarde,  die ik nauwelijks ken. Koortsachtig zoek ik naar woorden maar ik vind ze niet. Zelfs clichés als: ‘het is toch nog best fris buiten’, komen niet in me op. Bewegingsloos zit hij naast me. 

Het volgende moment trekt een reeks van misverstanden aan mij voorbij. “Wil je met of zonder koord?”, schreeuwt oma. “Nee, geen volle, ik moet lege vuilniszakken.”, roept hij geërgerd terug. “Moet je grote of kleine?” “Gewone moet ik, en daar bestaat maar één formaat van!”  “ Nee twee! Moet je thee?” “Thee. Nee dat mag ik niet van de dokter.” “De dokter?  Die is gisteren al langs geweest.” Wat later schuifelt hij met z’n zakken terug naar huis. “Wat een eigenwijze vent!”, zegt oma. Als hij nog één keer zonder rollator hier naartoe komt, sla ik hem tegen zijn oren.

Als ze weer gaat zitten grijpt ze even naar haar hart.  “Ik was er bijna geweest gisteren .”, zegt ze. Ze wil stoer overkomen maar dat lukt niet helemaal. Ik zie dat de schrik ook haar kleinzoon om het hart slaat.  “Nee jongen, ik ben niet bang meer voor  de dood, ik ben gewoon een oud vel, maar ik moet wel zeggen dat hartritmestoornissen niet fijn zijn. Het effect is het tegenovergestelde. In de ogen van mijn lief zie ik het besef dat hij zijn oma, die als een moeder voor hem is, kwijt kan raken.

Ik vind het nogal wat, dat ouder worden. In haar ogen zijn wij nog piepjong, in de ogen van onze kinderen al lang niet meer.  Zonder verf ben ik zo grijs als een duif, ik gebruik overal hoopgevende crèmepjes voor, mijn lichaam is onherroepelijk in verval en er komt een dag dat er niemand  meer echt naar me kijkt. Mocht het me gegeven zijn om zo oud te worden gaan ze met bosjes om mij heen wegvallen. Met het leven van oma zou ik niet willen ruilen, maar als ik met haar gezondheid de negentig mag halen teken ik ervoor. Ik kijk nu al uit naar het moment dat ik zonder rollator, bij mijn buren, een setje vuilniszakken ga scoren.  Over vijftig jaar. Dus jong ben ik, piepjong!

Verleider

Met bemoedigende schouderklopjes en subtiel oogcontact probeert hij me te verleiden. Al meer dan tien jaar doet hij zijn uiterste best, de schat. Hij gooit zijn parelwitte tanden en bos bruine krullen in de strijd maar ik houd het hoofd koel en mijn kaken stijf op elkaar.  Natuurlijk zijn er momenten dat ik bijna bezwijk, want  ik ben zeker wel gevoelig voor zijn lokroep. Hij belooft mij gouden bergen en onovertrefbaar pracht.

 “Wist je dat kuiltjes in je wangen één van de zeven schoonheden is?” Hij weet precies waar mijn zwakke plek zit. Ik voel een mengeling van walging en verbazing. Heeft hij een boek met openingszinnen gelezen?  Toch voel ik me stiekem ook gevleid.  “Wist je dat ijdelheid één van de zeven hoofdzonden is?”, wil ik zeggen maar natuurlijk doe ik dat niet. Als iemand zich schuldig maakt aan ijdelheid ben ik dat zelf wel.  Ik lach schaapachtig en hij eigent zichzelf het zoveelste punt voorsprong toe.

Zoals altijd bij verleiding,  ga ik voor de bijl op een moment dat ik het helemaal niet verwacht. Is het zijn blik of zijn stem, ik kan het niet zeggen. Zijn handdruk is nog intenser dan anders als ik hem mijn jawoord geef. Logisch natuurlijk, door dit besluit kan hij een nog decadenter vakantiebestemming gaan uitzoeken. Hij heeft me al lang van mijn minst voordelige kant gezien. Jaren geleden heeft hij me met natte washandjes moeten oplappen omdat ik zo nodig met een knalgeel gezicht, halfgaar, in de wachtkamer moest gaan zitten, als gevolg van een allergische reactie op de adrenaline in een verdoving. Nog steeds hoor ik lichte paniek in zijn stem als hij steevast zijn assistentes waarschuwt: “Geen verdoving voor deze mevrouw!”  Nog nooit heeft hij me teleurgesteld.

Ook nu vertrouw ik hem op zijn bruine ogen én, ook niet onbelangrijk, zijn witte jas. Als een crimineel word ik met mijn rug tegen de muur gefotografeerd, en profil, dan zie je straks het verschil goed.  Over een paar weken krijg ik, voor de tweede keer,  een berg ijzerdraad in mijn mond. Mensen zullen vragen: “Heb jij een beugel?” Glimlachend zal ik ze uitleggen waarom ik dat,  op mijn leeftijd,  inderdaad nog heb. Geduldig zal ik het ‘Nee, dat is geen beugel, ik vind het fijn om prikkeldraad te eten.’,  inslikken.

Van tijd tot tijd zal ik hem vervloeken, mijn verleider.   Met kapotte wangen zal ik wanhopig  verlangen naar appels, cola, kauwgom en ontbijtkoek. Regelmatig zal ik mezelf toe moeten spreken. ‘Dit heb je zelf gewild dus je houdt het maar vol!’  Een weg terug is er niet want het ding zal muurvast zitten. Wie mooi wil zijn moet pijn leiden maar het resultaat zal naar wens zijn. Over een jaar staan mijn tanden keurig recht en komen mijn kuiltjes nog beter uit. IJdelheid of niet, zonde kan het nooit zijn. Ik zal hem nog gaan missen mijn tandarts, maar voorlopig heb ik elke maand een afspraak.

 

 

Vissen

“As ge mee klèn jong gaat vissen dan gooien ze de hengel in het water en vreten ze de aas zelf op!” Mijn vader zegt het altijd als hij zelf iets onnozels doet, om de oenigheid iets te verzachten, zelfspot. En hoewel het een belachelijke uitspraak is zit er wel degelijk iets van waarheid in. Kinderen vallen of stoten dingen om, ze moeten naar de wc op de meest onmogelijke momenten en schoon zijn ze altijd maar pakweg drie minuten.

Dat vissen is een mannending. Iets waar ik (ja ik kom uit een meidengezin) niets mee heb. Bovengenoemde vader trouwens ook niet. Hij liet als kind gewoon de vis uit zijn emmer stelen en een hulproepend: “Mens ze vatten menne  vis af” heeft hem ook niet veel verder geholpen. Het oersaaie staren naar een hengel, de krachtmeting daarna, - wie heeft de grootste?- , betekent maar één ding: haantjesgedrag. Gedrag dat zowel mijn vader als mijn zoon, overigens exacte kopieën van elkaar, missen.

Tot de  afgelopen vakantie in Zeeland. De wind is koud maar het streepje zon maakt het strand aantrekkelijk. Ik loop het dorpje in voor een tijdschrift en mijn blik valt op de vele schepnetjes die overal de koop zijn. Ze kosten bijna niets en opeens komt de visser in mij naar boven. Ik kies een rode en triomfantelijk loop ik terug naar mijn schatten. Jammer dat ik struikel over een steen, dat staat toch een stuk minder stoer.

Glimlachend loopt papa mee naar de zee. Hij zal dat varkentje wel eens even wassen. Na korte tijd keert hij zonder vangst terug. “Er zit hier niks”, zegt hij vol overtuiging, niet eens teleurgesteld.  Mijn zoon kijkt geamuseerd hoe ik in één klap naar het net en de lege emmer grijp. Zijn handje glijdt in de mijne en we rennen naar de palen in de branding. Driftig waden we met het net door het water. Onhandig klop ik het ding uit. Keihard lacht hij, mijn vierjarige kleuter. “Mama, dat moet zó niet, papa doet het zo:!” Wijs tikt hij het netje leeg op de bovenkant van een paaltje. Ik kan wel janken, zo lief vind ik hem nu.

Mijn zoon haalt zijn beste haantjesgedrag tevoorschijn. Tegen een grote jongen zegt hij: “Wij hebben een hele grote vis gevangen en jij lekker niet!” “Ach man, das wel”, bijt hij terug. Nog niet in staat om kleutergrootheidswaanzin te herkennen.  Natuurlijk vangen we niets. Voor de vorm pleuren we wat zeeweer in de emmer en slenteren we, voor de vloed ons opslokt, terug.  “Kijk maar!”, zeg ik met gespeelde trots. Mijn man roert oprecht geïnteresseerd door het water. “Heuh! Een heremietkreeftje. “ , zegt hij verrast. Minstens zo verrast zijn we zelf. Het is nog een baby, minuscuul en doorzichtig maar dat ie leeft staat als een paal boven water!  Een: “Wij  hebben gewonnen hè mama?” en een keiharde highfive maken mij nog weker dan het beestje in de emmer. Mee klèn jong gaan vissen is zo slecht nog nie….