Marktplaats

“Ik wens jullie een heel fijn leven samen!”, zegt de vrouw aan de telefoon. Ik ken haar niet. Voor ik een, al zou ik dat willen, gevat antwoord kan geven heeft ze al opgehangen. Graag had ik een tegenbod willen doen. Iets van: ‘Ik wens u veel spijt toe, als gevolg van het annuleren van deze koop. Ik hoop dat uw toekomstig kleinkind bij u thuis de hele boel bij elkaar gaat krijsen als het in de gaten krijgt dat het ergens anders in moet slapen.’

Als ze belt ben ik net klaar met het naar beneden sjouwen van ons overtollige babygerei dat weliswaar op de zolder gruwelijk in de weg staat maar wat we voor een héél klein prijsje op marktplaats hebben, met als bonus een gratis campingbedje. Een uur geleden heeft ze nog dolenthousiast een afspraak met mij gemaakt om de spullen (“ze zijn toch niet vies hè?”) te komen bekijken.

Dit moet er in de tussentijd gebeurd zijn: ( Let op, hormonen in het spel!)Zij: “Gaat jouw moeder óók een kinderwagen kopen?” Hij:  “Eh, ja…..”  “Wat een onzin! Ze kan toch gewoon de onze gebruiken?”  “Nou, eh, dat is toch handig dan hoeven we niet zo te sjouwen.” “Handig? ( haar stem schiet omhoog) Helemaal niet handig, ik vind het vies!” (aarzelend) “Vies, ..eh hoezo?” “Nou gewoon vies, ( stem wordt steeds harder)ik wil niet dat mijn baby in een wagen ligt waarin andere baby’s, die al lang groot zijn, hebben liggen kwijlen.” (begint hartverscheurend te huilen)”Oké, ik bel mijn moeder wel.”

Marktplaats en wij zijn geloof ik niet de beste combinatie. Dit is al de vierde keer dat mensen, die een afspraak gemaakt hebben, niet komen opdagen. Ik breng het niet meer naar boven, verrek maar.!Als mijn zoon de vierwieler met attributen ziet rent hij naar zijn kamer. Hij komt terug met een verlept speentje dat hij zorgvuldig heeft bewaard. “Dan ben ik de baby, hè mama?”,  zegt hij hoopvol als hij naar de reiswieg staat te kijken.

Misschien moet ik het over een andere boeg gooien. WIE VAN JULLIE WIL ONZE SPULLEN HEBBEN VOOR EEN PRIKKIE? ECHT HEEL GOEDKOOP! Please? Er hebben hele lieve zachte baby’s in geslapen, namelijk mijn eigen baby’s, en die spullen (complete kinderwagen met reiswieg, buggy en maxicosi plus een gratis campingbedje) mogen jullie praktisch voor niets hebben. Grijp je kans!

Mijn zoon heeft het hele gedoe van A tot Z meegekregen. Hij snapt ook dat hij helaas niet met zijn lange kleuterbenen in de reiswieg mag. Ondertussen heeft hij wel een oplossing klaar. “Mama, dan krijgen we toch gewoon een nieuwe baby!”  Eh, slik…wie maakt ons los? Ik wens jullie allemaal een fijn leven samen!

Camping

Met tegenzin pak ik hem op en neem ook maar meteen mijn tandenborstel mee. Quasi nonchalant hou ik de emmer op onnatuurlijke hoogte zodat niemand kan zien wat er in zit. Glimlachend loop ik langs mijn tijdelijke buren en mompel hier en daar een onverstaanbaar hallo of bonjour. Steeds voluit spontaan groeten is gewoon niet te doen als je vijftig keer per dag voorbij loopt. Het bijzondere gebruik van de emmer is een overblijfsel van vroeger. Bij ons thuis geen verwarming dus stond er ’s nachts een op onze slaapkamer maar ook in de zomer maakten we er, tot de komst van het chemische toiletje, gretig gebruik van.  Voor nu: ik ga echt niet met mijn zoon van vier midden in de nacht naar het campingsanitair.  Ik moet dagelijks , zo onopvallend mogelijk, met de, door mijn zus en mij genoemde, ‘piston’ langs de tenten flaneren. Mijn man weigert consequent, vindt dit te gênant.

Hij gaat zelfs nog een stapje verder. Hij kiest bewust steeds een andere route om niet constant dezelfde mensen tegen het lijf te lopen. Ik zit met een boek in een luie stoel bij de tent als ik hem ongevraagd tips hoor ontvangen over de omgeving, over wat te doen bij zware storm , over het goedkoopste bier en de meest diepgelegen, romantische grotten. Ik stel me de ‘reisleider’ voor met een laaghangende bierbuik. Zijn informatie heeft hij gratis gekregen van een dito buurman die overigens al lang weer op kantoor zit.

Na een aantal dagen dertig graden slaat het weer opeens om. De lucht is donkergrijs en we kunnen nog net onze pain-au-chocolat naar binnenwerken. We proppen ons in de voortent met alle tassen hoog en droog. De regen stort onophoudelijk naar beneden en komt ook vrolijk de tent in. Met geïrriteerde blik jaagt mijn man het water met de schrobber naar buiten. Ik kan mijn glimlach niet verbergen.

Nog meer reden om mijn mond in de krul te krijgen is het animatieteam. Het is puur cabaret. Onze kinderen vinden het leuk dus ze zullen wel iets magisch hebben maar zelden heb ik meiden gezien met zo weinig mimiek. Bloedserieus nemen ze, in hun roodgele, oversized, campingpakjes, hun taak. In opperste concentratie leiden ze de minidisco die toch weinig technische dansmoves bevat. Echte genegenheid voor de kinderen is ver te zoeken. Mijn onderwijsbloed begint te stromen, hier heb ik wel wat tips weg te geven maar dan bedenk ik: ik geef helemaal niets, ik heb vakantie!

Waarom geen huisje of appartement? Ik kan natuurlijk kiezen voor eigen sanitair, waterdichte muren, meer privacy en ver verwijderd van minidisco’s maar ik peins er niet over. Wat ik op een camping doe?  Genieten! Ik rits ’s morgens  de deur van mijn tent open en ik ben buiten. Ik heb gratis theater aan de lopende band en mijn kinderen vermaken zich geweldig. Ik glimlach, pak mijn boek of mijn pen en heb vakantie. Dus!

Water

Krijsend van paniek en met spartelende beetjes hangt mijn driejarige zoon boven het bad. Ik heb het water er deze keer vooraf in gedaan en dat is niet de bedoeling. Het manneke wil vanaf de eerste druppel in bad zitten,  anders komt er een haai uit de kraan, denkt hij. Met dank aan mijn vader en Annie MG. Het gedicht “Daantje en het kraantje”,  in een wanstaltige versie in bewegend beeld, heeft mijn zoon onuitwisbare nachtmerries bezorgd.

Tegenwoordig gelooft hij niet meer in de haai maar nog wel in starten in een leeg bad. De zwemles van zijn grote zus helpt hem. Ze zitten samen in bad en spelen ‘diplomazwemmen’. De geïmiteerde, harde stem van meneer Wim galmt door de badkamer. “Eén keer zwemmen, twee keer zwemmen, armen en benen uit elkaar en hoofd onder water.” Een minimale seconde steekt hij zijn angstige koppie onder water.  Happend naar adem komt hij boven.  Zijn hartje gaat tekeer. “Nu kan ik op zwemles!”, weet hij nog net uit te kramen.

Het is zomer. Na oneindig veel nachtjes slapen kunnen we eindelijk op vakantie. Wat mijn zoon niet weet  is dat we eerst nog een nachtje in een hotel slapen en dat de camping met zwembad, want dat wil ie, zwemmen, nog even op zich laat wachten. “Is dit het zwembad?”, vraagt hij vol ongeloof als hij het kleine douchebakje in de badkamer ziet. Het duurt uren voordat hij de slaap in zijn prinselijke hotelbed kan vatten.

De volgende dag zijn er nog zo’n vierhonderd kilometer te gaan. Om de vijf minuten vraagt hij nu , tot ergernis van mijn man,: “hoelang gaan we zwemmen?” “Hoe lang we gaan zwemmen weet ik niet”, zegt zijn papa, “maar als je blijft zeuren niet lang denk ik. En nou wil ik hier het woord zwemmen niet meer horen.” Een hele tijd blijft het manneke hem in de achteruitkijkspiegel  niet-begrijpend  aankijken maar hij is in ieder geval even stil.  Als we arriveren gooien we snel onze spullen in de huurtent. Als een haas trekt onze, anders zo trage, zoon zijn zwembroek aan.  Opeens is ie weg, de kleine, grote man.  Tranen van paniek in de ogen van zijn geliefde papa. Het hekje van het visvijvertje staat open en mijn maag krimpt ineen. Zo beginnen de drama’s.

IJzig kalm denk ik na. Waar kan hij gebleven zijn? Hij kent de weg nog niet. Het zwembad ligt helemaal aan de andere kant van de camping. Toch loop ik daar, als geleid door iets van boven, naartoe. Hij ziet mij eerder dan ik hem. Relaxed zit hij op het terras. “Hee mama!”, zegt hij vrolijk. “Ik dacht wat duurt het toch lang, we zouden toch gaan zwemmen?” Heel hoog in de lucht til ik hem  en daarna hou klem ik hem tegen me aan. “Wat doe je mama?”, zegt hij verbaasd. “Geef papa zo maar een hele dikke knuffel.” , zeg ik  met onvaste stem.  Na de vakantie op zwemles.. en heel rap!

Heimwee


“Bavooke, stil nou toch jongen, ga nou eens slapen, allez asteblieft!” Een oorverdovend gekrijs klinkt uit een van de tenten  op de natuurlijk gelegen kasteelcamping. Het is zes uur ’s ochtends en het Vlaamse jongetje zorgt voor een piek in mijn heimwee gevoel. Ik mis mijn lief en mijn roze omafiets. Ik ben zestien en ik wil nog maar een ding: naar huis! Sorry zus, sorry pap en mam, al is het wat aan de late kant dat ik dit zeg.

Met een boos gezicht zit mijn zesjarige dochter op de trap voor de ingang van de immense kathedraal.  Ze heeft het warm en ze heeft dorst. Ze ziet nog net de schoonheid van de streep zonlicht in het rozetraam maar over een jaar zal ook dat verdwenen zijn. In een flits zie ik mezelf verveeld zitten in de hitte, op een van de brokstukken van de Pont d’Avignon  en moet even slikken. De spiegel die mij nu wordt voorgehouden is kraakhelder. Nogmaals sorry pap en mam.

Ze is ermee besmet. Mijn meisje mist niet alleen haar vertrouwde omgeving maar ook haar eerste liefde. Zes jaar of niet, het is puur, dat zie ik en dat voel ik. Haar gekwelde blik mag wel wat minder. Het animatieteam op de camping doet haar humeur omslaan. Knutselen, spelletjes, minidisco. Haar stralende gezicht als ze aan komt rennen met de officiële campingkids-cd, gewonnen met stoelendans, is om van te smelten maar haar blik bij het zien van de foto van haar schat via What’s app is onbetaalbaar. “Mama, ik hou echt van hem!”, verzucht ze alsof ze écht al zestien is. 

Toch worden er ook nog oude stadjes en kastelen bezocht. Verplicht slenteren door straatjes en kijken naar torentjes, raampjes, mozaïek en andere schoonheden. Drankjes en ijsjes moeten worden verdiend. Alleen dan zal ze dit straks ook met haar eigen kinderen doen. Dankjewel pap en mam. 

Als we twee dagen thuis zijn gaat mijn telefoon. Ik hoor de stem van mijn mini-schoonzoon. Mijn meisje is in de zevende hemel als ze hem ziet. Hij heeft een ring voor haar meegebracht uit Venetië. Als mijn man haar ’s avonds rond etenstijd gaat ophalen komt hij weer alleen terug. In zijn blik iets van overrompeling. “Ze blijft eten én slapen.”, mompelt hij. “Alleen jij moet nog even haar pyjama en knuffel gaan brengen.” Als ik binnenkom zie ik het al. Haar grote ogen. Maar ik zeg niets en draai me snel om.  ’s Avonds om tien uur gaat de telefoon. Schoonpapa brengt mini-schoondochter even thuis. Zo is het ook  met heimwee. Heb je het één, mis je het ander. Kom maar gauw vrouwke. I know the feeling!