Hockey

HAA-OOW-CEE-KAA-EE-Griekse Y, Hockey, Hockey, echt een sport voor mij! Terwijl hij dit uitkraamt staat mijn lief met afgezakte sokken én schouders naast ons bed. Het is midden in de nacht en zijn laatst gespeelde wedstrijd ligt al uren achter hem. Zijn been zit vol bloed. De volgende dag is het Moederdag, mijn eerste. De braakgeluiden, die uit het nog steeds in hockeytenue hoopje mens komen, doen mijn hoop op een ontbijtje op bed vervliegen.

Mijn enige ervaring met deze sport doe ik op in mijn middelbare schooltijd. Ik weet dat je de bolle kant niet mag gebruiken. Dat wordt mij duidelijk gemaakt door een, over de top, fanatiek sportster die keihard “BOL” roept als je per ongeluk de fout in gaat. Als zij in de buurt komt durf je je stick überhaupt niet meer te gebruiken. Blik op standje: ‘ik vermoord jou’ en slag: enorm lomp.

 Je moet  wat als je getrouwd bent met een voormalig fanatiek  hockeyer. Om te beginnen maar eens mee naar zo’n feest waar je katje lam van thuis komt. Gezellig! Voordat ik het weet sta ik te dansen met een toekomstig Nederlands Elftal speler, niet onaardig om te zien, goed in de olie dus hij zal het vast niet onthouden. Elke keer als ik hem nu op tv zie, kan ik een kleine glimlach niet onderdrukken.  

Opeens staat je bloedeigen dochter op het veld. Waar mijn zoon vooral op mij lijkt, heeft zij het sportgen van haar  papa gekregen. Voor de meeste ouders is het, op de club, een feest van herkenning, voor mij voelt het als een ontgroening. Met haar mond vol plastic houdt de kleine schat de bal behendig bij de stick. Een angstig gevoel overvalt me. Ik heb ergens in het reglement gelezen dat ouders wedstrijden moeten komen fluiten. Ik zie mezelf staan. Ik fluit me te pletter, geen mens reageert op mijn bevelen. Supporters vliegen elkaar in de haren.

Dus kan er a.u.b. een echte scheidsrechter komen opdraven voor de bult contributie die wij betalen? “Nee, mevrouw, dat is daar niet voor, wat denkt u dat het kunstgras kost?” O, heb ik een stuk gras gekocht, mag ik dat dan na afloop mee naar huis nemen of er op zijn minst een bordje inzetten waar mijn naam op staat? Welkom in de wondere wereld van het hockeyveld. Zij vindt het leuk dus ik doe mijn best, echt!  Toch zou het vreemd zijn als ze bij balletles zouden zeggen: “Beste ouders, het is de bedoeling dat u zelf een choreografie in elkaar zet. De voorstelling is aan het einde van het seizoen.” “Ja maar, ik kan helemaal niet dansen, laat staan een dans verzinnen en bovendien,  daar betaal ik toch voor?” “Maar meneer, wat denkt u dat een dansvloer kost?” 

Schoenen

Op de bovenverdieping hangt een geur van Franse stinkkaas. Ik ga op zoek naar de bron maar zie zo één, twee, drie niet waar het vandaan komt. Het mysterie wordt opgelost als ik de voet van mijn dochter onder mijn neus geduwd krijg. Haar zomerschoenen, die naast ons bed liggen,hebben de hele dag om twee blote voeten gezeten en het is de vraag wie of wat er het meest toe is aan een verfrissend bad.

Een paar maanden eerder staan we in een verantwoorde schoenenwinkel. “Welke vind je het mooist?” vraagt de winkelmevrouw met honingzoete stem. Ik heb al met een schuin oog naar de prijskaartjes gekeken en voel vast voorzichtig aan de rib die zo meteen uit mijn lijf getrokken gaat worden. “Die met die diamantjes.”, zegt mijn dochter zacht. Gelukkig zijn het geen echte en oogt het niet te prinsesserig. “Die zijn ook wel erg mooi hè meid?” Ja ja, het is goed. De ‘in-the-pocket- blik van mevrouwtje verkooptechniek ontgaat me niet. Maar goed dat ik niet weet welk lot deze schoentjes te wachten staat.

“Mama, ik ben mijn schoenen kwijt!” Ze staat met een verbaasde blik in het speeltuintje bij ons in het park. Ze heeft haar schoenen bij de schommel gezet, is even verderop van de glijbaan gegaan en nu zijn ze weg. De slippers van haar vriendinnetje trouwens ook maar die liggen begraven in het zand. Als een achterlijke kam ik de omgeving uit. Ik lig op mijn buik in het zand en ik schep alles ondersteboven. Geen spoor van mijn meisjes dure schoenen.  De zandbak lijkt inmiddels meer op een afgraving. “Gezellig mama, dat doe je anders nooit!”, zegt mijn lieverd die al lang gestopt is met zoeken.

Ik kan gewoon niet uitstaan dat iemand zoiets doet. Welke eikel of heks? Ik snap het tijdelijke plezier, ik snap dat er niet over nagedacht is maar ben zo stoer om ze  gewoon even terug te leggen. Liggen ze nu ergens te verpieteren in de bosjes of loopt er iemand anders naast zijn/haar, eh ónze schoenen van trots? Ónze schoenen, die mee zijn geweest op een heerlijke zomervakantie. Romantische kasteeltjes hebben ze bezocht, ze hebben gewandeld langs mooie riviertjes en zijn met liefde van modder ontdaan.

Een paar dagen later. Bij de voordeur staat één schoen, kleddernat en zielig. In de zandbak een kluitje jongens dat een fort aan het maken is. Diepte van de gracht: twee meter vijftig. In de bosjes bungelt het andere schoentje al even sneu. “Hebben wij opgegraven!” Het klinkt oprecht en heldhaftig.

Dan besef ik wat er over een paar weken gaat gebeuren. De regen klettert al dagen naar beneden. De winterjassen komen voor de dag.  We nestelen ons met een beker warme chocomel op de bank. In een stoffig hoekje onder het bed van mijn meisje staan de lichtblauwe ballerinaatjes. Compleet vergeten. Beseffend dat ze nooit meer  gedragen zullen worden.  In de verte, heel vaag,  een vleugje camembert….

Vlees

“Oho, da mag nie!” Op de radio is een commercial waarin een vrouw helemaal over de zeik vertelt dat het varkensvlees,  dat gebruikt wordt in de keukens van een bepaalde hotelketen, die in hun logo een tropische vogel hebben verwerkt, afkomstig is van varkens waarvan het staartje is afgesneden. Ik weet het niet hoor mevrouw, maar denkt u niet dat het sowieso wel handig is om dat varken, dat we gaan opeten, in kleine stukjes te snijden? Het lijkt me vrij lastig om een heel exemplaar in mijn boodschappentas te proppen.

Ik ben echt geen dierenbeul hoor en als ik er over nadenk vind ik het zielig voor alle dieren. Mét of zonder staartje, plof of geen plof, levend gekookt of afgeschoten. Daarnaast ben ik gewoon heel kieskeurig qua vlees en ander levend voedsel. Voorwaarde: Ik wil niet kunnen zien wat het vroeger was. Voor mij geen eerlijk stukje vlees met bijbehorend hoofd dat mij, met lege blik,  vertelt wat voor beest dat is geweest. Lieg mij maar op zachte wijze voor. Lang leve de illusie.

De samenstelling van het vlees mag ook niet teveel afwijken van ‘aantrekkelijk voor het oog’. Ik gruwel van brouwsels als: zult, balkenbrij, corned beef,  vlees in aspic, tong, ossenworst en brokkenpaté.  Het toppunt van mensonterende vleselijke voorstellingen krijg ik op mijn bord in een Braziliaans restaurant. “Ow, das lekker!”, zegt een van mijn tafelgenoten, “dat is van dat…eh…gestold bloed.” Ik moet moeite doen om het gebouw niet kokhalzend te verlaten.

De  oorsprong van dit lichtelijk overdreven gedrag ligt bij mijn moeder.  Voor haar ook geen botten en vetlellen. Het liefst helemaal geen varkensvlees.  Mijn vader doet met :  “als je dat bakt dan ruikt de hele keuken naar varkensstallen” zijn gebruikelijke duit in het zakje.

Om de boel nog eens te versterken, beland ik op mijn vijftiende in een spekfabriek. Mijn eerste vakantiebaantje. Voor twee gulden vijftig per uur moet ik wit geribbelde lappen vetspek op een stapel leggen, gladstrijken met de blote hand, zwoerd er aan beide kanten afsnijden en op een lopende band kwakken. Snel graag. Om mij heen mannen die alleen maar over tieten praten en een door diezelfde mannen zo genoemde ‘vleesmongool’. In week twee is Wally opeens dood. Er komt vast wel weer een nieuwe. Mijn moeder ruikt me na werktijd al van verre aankomen. De weeïge varkenslucht is compleet in mijn kleren getrokken. Buiten uitkleden graag en meteen in bad. Kleding na afloop van diensttijd weggooien.

Het komt dus nooit meer goed met mij en het vlees. Schijnheilig, hypocriet en tegenstrijdig. Aanstelleritis volgens mijn lief. Hij heeft gelijk.  So what.  Iemand zin in een lekker kroketje? Lang leve de illusie! 

Studiedag

“AUWWW de bevalling begint!”, schreeuwt mijn mannelijke collega. Zijn gegil galmt door de gang van het hotelgedeelte van het congrescentrum. Hij is theatraal neergestreken in een nisje naast een stapel handdoeken. Hij ligt in een zeer ongemakkelijke houding en je zou bijna geloven dat er een baby geboren gaat worden. De anderen staan er,  licht dronken, luidruchtig, bij te lachen. Dan is het opeens muisstil. De strenge verpleegster snoert ons de mond. “Kunnen jullie ASJEBLIEF stil zijn? De mensen van de Parkinsonvereniging kunnen niet slapen en ZIJ komen hier voor hun rust.”

We zijn met het hele schoolteam op studie tweedaagse. Eten en 'slapen' inbegrepen. Onze school heeft een nieuwe visie nodig. Het is dag twee en we zitten katerig naar de tekening van een melkkoe te kijken. Er wordt vooral gezwegen tot de cursusleider met de vuist op tafel slaat. Hij is werkelijk not amused. De nuchter- gebleven- op -tijd naar -bed –gaanders trouwens ook niet. “Wat wil JIJ bijdragen, als persoon, met JOUW persoonlijke kwaliteiten en JOUW inzet?” Hoopvol kijk ik links en rechts van me maar hij heeft het echt tegen mij en ik zal, gezien zijn gezichtsuitdrukking, toch met een fatsoenlijk antwoord op de proppen moeten komen.

Een ander studiemoment, een ander stoffig zalencentrum. Kannen water, pepermuntjes en een kladblokje met opdruk moeten het ons aangenamer maken. Thema: persóónlijk ontwikkelingsplan, kort gezegd: POP. Verplicht nummer van hogerhand en in het bedrijfsleven al heel normaal hoor. Inleiding: Geef jezelf maar eens lekker bloot. Vertel maar eens ongegeneerd wat JIJ wil leren. Kom maar eens lekker voor de grote groep vertellen waar de schoen wringt. Hou je vooral niet in. IJzige stilte. Een vrouwelijke collega barst in tranen uit maar dat mag, omdat het kan. Een van mijn naaste collega’s hangt geïrriteerd onderuit en zijn gezicht spreekt boekdelen. Als de spanning écht om te snijden is zwaait de deur open. “Is dit de bus naar Benidorm?” De man met verwassen, te krappe spijkerblouse en grijze pet staat suf voor zich uit te kijken maar het lijkt me heerlijk om nu in een bus te stappen naar welke bestemming dan ook.

Ik voel altijd grote weerstand als ik aan zo’n dag ga beginnen. Vandaag gaan we leren leren. Ik sta inmiddels bijna twintig jaar voor de klas maar blijkbaar heb ik al die tijd de boot gemist. Kinderen moeten zelf verantwoordelijkheid nemen voor hun ontwikkeling. Hoera voor de dag dat ze roepen: “juf, ik wil dolgraag het principe van de staartdeling leren!” En ja natuurlijk, ik chargeer, (lievelingsuitspraak van de studiedaggoeroe) kinderen kunnen meer dan je denkt.

Het gaat in werkelijkheid natuurlijk om heel wat anders. Oogcontact met collega’s, banden versterken, in hetzelfde schuitje zitten. Samen de klus klaren op je school of in je klas. Vriendschappen aangaan voor het leven want dat heb je zo hier en daar. En dan gaan we over onbepaalde tijd met z’n allen naar Benidorm. Heerlijk…zo’n studiedag!

Voetbal (2)

“Nee, ik kom nooit meer terug!”, zegt mijn bijna vijfjarige zoon tegen de mevrouw die net heel lief geprobeerd heeft om te zeggen dat hij volgende week gewoon nog een keer mee mag komen doen. Hij is zojuist met uitgestrekte armpjes, huilend naar ons toegekomen. Normaal gesproken ligt hij op dit tijdstip al bijna in bed maar vandaag is hij uitgenodigd om mee te komen doen met de eerste training van de minipupillen. Voetbal dus.

Het op de valreep gescoorde voetbaltenue kan zijn goedkeuring nog wel wegdragen maar eigenlijk krijg ik al weken allerlei aanwijzingen die mij vertellen dat dit niet is wat hij wil. Een paar uur voor het grote avontuur gaat beginnen zegt hij: “Ik ga volgend jaar wel voetballen, maar vandaag niet. “ Nog wat later heeft hij buikpijn en roept hij benauwd: “Mama, ik wil niet op televisie komen.”  Het manneke heeft werkelijk geen idee wat hem te wachten staat maar we zetten door.

Na vijf minuten heb ik het al gezien. Hij is dapper het veld op gegaan, heeft zelfs een aantal huilers achter zich gelaten en loopt samen met een bult andere jongetjes achter de bal aan. Hij heeft geen enkel benul  waarom. Zijn pas vertraagt steeds na een paar seconden. Een aantal fanatieker baasjes baant zich een weg naar de bal, hier en daar ontstaan al wat voorzichtige slidings. De minuten daarna wandelt hij nog wat rond, in zijn blik vertwijfeling en al een fragmentje afschuw. Een steek in mijn hart. Hij heeft mijn sportgenen. Plotseling begint hij naar ons te zwaaien en dan breekt hij. “Mama, ik wil alleen nog maar bij jullie zijn!”, zegt ie. “AAHHHH!”, klinkt het langs de lijn.

Mijn anti-sport-gen heb ik gekregen van, vooral, mijn vader. Mijn vader en mijn zoon zijn twee handen op een buik en vertonen exact hetzelfde,  bijzondere gedrag.  Ze weten precies hoe de dingen moeten en kunnen niet op een andere manier. Nemen dit ook per definitie, niet van een ander, (ook niet van elkaar) aan. Willen graag anderen van hun gelijk overtuigen , bij voorkeur met argumenten die er niet  toe doen. Geduld hebben ze niet maar zijn zelf ronduit traag, behalve als ze hun zinnen ergens op hebben gezet,  dan worden ze verrassend snel. Iedereen houdt van ze want naast al deze eigenaardigheden zijn ze bijzonder lief en aanhankelijk.

Opeens vraag ik me af waarom we hier dan aan begonnen zijn. Als ik mijn moeder aan de telefoon krijg hoor ik mijn vader op de achtergrond triomfantelijk roepen: “Dat wist ik al lang! WIJ zijn geen sporters.” Soms heb je keiharde bewijzen nodig om de waarheid onder ogen te zien.  Twee dagen later fietsen we het voetbalveld voorbij. “Hier is het echt STOM!” zegt onze zoon. Nee, hij gaat niet meer terug . Nooit meer!