Ziek

Blijkbaar is een dubbele  koortslip van het grootste kaliber deze ronde niet genoeg. Mijn hele bovenlip is veranderd in die van een boxer die knock-out is geslagen maar nee, laten we er nog wat keelpijn, hoofdpijn, misselijkheid en extreme vermoeidheid aan toevoegen, kan ze best gebruiken. Zeker nu zoonlief ook niet helemaal fit is.

Samen met mijn kleine schat lig ik op de bank. Mijn grote schat moet alleen naar school maar dat kan ze wel. Ik moet even slikken als ik haar enthousiast zwaaiend de hoek om zie verdwijnen. Niet omdat ik bang ben dat het niet goed zal gaan maar omdat ze al zo groot is. Zo op het eerste gezicht best gezellig, met mijn zoon op de bank maar niet in deze omstandigheden. Zijn koorts loopt op. Zijn paniek ook. Als een peuter klampt hij zich aan mij vast, grijpt naar zijn hoofd en huilt: “mama, jij maakt mij beter hè?”  Af en toe slaapt hij even om vervolgens ijlend van de koorts te schreeuwen: “zo ik ben weer helemaal goed…hahaha mama, jij hebt een blauw gezicht!” Dat ik me niet goed voel is duidelijk maar ik hoop niet dat ik op een smurf lijk.

Tegen vijf uur is zijn koorts zo hoog opgelopen dat hij niets meer zegt, voor zich uit staart en met zijn benen aan het trappen is. Als zijn papa (zoon van een huisarts,zul je net zien dat hij op vakantie is) thuiskomt, komt hij meteen in actie. Dokterspost, hersenvliesontsteking er flitst van alles door mijn hoofd maar ik weet ook dat het goed komt.  “Rust jij maar even lekker uit mama”, zegt mijn dochter want jij bent ook niet fit, dan ga ik mee naar het ziekenhuis. Ze is bezorgd en nieuwsgierig tegelijk. Alsof ik zo kan uitrusten maar wel lief dat ze het zegt. Na een uur het verlossende appje. Een virus  en een bacteriële infectie ineen. Ja dan ben je wel ziek. Nu ben ik wel gerustgesteld maar nog misselijker dan ik al was.

Midden in de nacht staat het manneke snikkend naast ons bed. Nat van het zweet zegt hij: “Ik voel me zoooo eenzaam!”  Met zijn woordenschat is in ieder geval niets mis. Hij kruipt dicht tegen me aan. Ik probeer te slapen maar dat valt niet mee met een kachel naast me. Of het zijn koortsdromen zijn of die van mezelf weet ik niet maar opeens ben ik een in kleuterklas met oneindig veel kleuters. Ze staan in een lange rij voor me en ik moet ALLE broodtrommels open maken.

Wonderlijk hoe snel kinderen kunnen opknappen.  Na een dag of wat heeft meneertje zijn baldadigheid weer een beetje terug en mag ik opeens niet meer op zijn kinderfeestje komen als ik geen water voor hem haal. Zijn aan-een-stuk-door-praat-knop staat ook weer aan. Er worden spelletjes uit de kast getrokken (gezellig hè mama?) en hij wil taart bakken en soep maken. Ik heb duidelijk wat meer tijd nodig maar binnen no-time staat de soep op het vuur. Mama’s mogen nooit zien zijn!

 

 

Achterdocht

Als in een film zie ik mezelf liggen in de hoek van een leeggeroofde huiskamer. Je zou denken dat hier niet veel staat wat ze willen hebben maar toch is het gebeurd. Er zitten touwen om mijn polsen en enkels en een stuk breed, grijs plakband op mijn mond. De vrouw met, ik denk, Roemeens accent wil me een hand geven maar ik trek nog net op tijd terug. “Jij en iek, afspraak.” , zegt ze en ze staat al binnen. “Ik heb helemaal geen afspraak.”, mompel ik maar vastberaden roept ze: “Wel, jij en iek wel afspraak, wacht iek haal agenda.” Min of meer verwacht ik dat er nu een troep soortgenoten door de achterdeur naar binnen komt want zij is slechts de afleidingsmanoeuvre maar er gebeurt niks. Nog niet.

Lezend in haar agenda blijkt ze een paar straten verder te moeten zijn. Het misselijke gevoel in mijn buik zakt alweer maar ik vertrouw haar toch nog niet helemaal. Misschien kan ze niet lezen of heeft ze het op de gok geprobeerd maar ik ben blij  dat ze opkrast. Ben ik toch door het oog van de naald gekropen. Op het nippertje ontsnapt aan een brute overval in eigen woning. Veel makkelijker dan nep baby’s stik alleen in autostoeltjes in de berm zetten of verward met twee witte hondjes mensen aanspreken langs de Franse snelwegen en dan toeslaan.

Als mijn dochter thuis komt kan ze niet uitgepraat raken over de fietsendief die onze wijk terroriseert. Op klaarlichte dag worden de fietsen, die op slot staan én geparkeerd bij de voordeur, in een wit busje geladen. Een wit busje had ze niet bij zich maar ja, ze kunnen samenwerken natuurlijk. “Mama”, zegt ze op mysterieuze toon, “weet je hoe je zeker kunt weten dat het het goede busje is? Ergens onderaan staat, met hele kleine letters: fietsendief. Hoe ze erbij komt weet ik niet maar ik zie het zo voor me. Wel handig, dan heeft ie gewaarschuwd. ‘Ik zei toch dat ik je fiets ging stelen, nou dan moet je ook niet zeuren!’ Ik zal maar niet tegen haar zeggen dat de fietsendief vanmorgen in levenden lijve voor de deur heeft gestaan.

De volgende dag zie ik de vrouw lopen, in de straat die ze aan het zoeken was. In haar ene hand heeft ze een emmer en in haar andere hand een keukentrap. Wat is ze nu weer van plan? Zo onopvallend mogelijk ga ik er iets dichterbij staan. Ze klimt de trap op en gaat……….de ramen wassen. Ai! ‘Vrouw van Roemeense afkom zoekt adres voor 3 uur schoonmaak. Iek kom langs voor kennismaak’ Ze heeft zich gewoon echt vergist in de straat. Ik krijg het heel warm en het lukt me nog net om ongezien de andere kant op te lopen.

Sorry mevrrouw, iek heb so niet bedoeld. Iek was beetje bang voor wildwestverhalen.  Toch even kijken of mijn fiets nog in de schuur staat….

Freek

In zijn ene hand heeft hij een nog-niet-betaalde knuffelslang en met zijn andere hand probeert hij de doos met nog-niet-betaalde reuzen Magnums uit zijn oma’s hand te rukken. Hij is een jaar of drie en door en door verwend. De appel valt niet ver van de boom. Nog net krijgt oma het voor elkaar om haar boodschappen te scannen en te betalen en geeft het kind nog ín de winkel zijn IJS. Freek’s dierenplaatjes moet ze hebben en wel meteen maar er is niemand bij de balie.

Nou dan pakt ze ze toch zelf..Ze is niet alleen ongeduldig en hebberig maar ook nog eens dom. Gelukkig is daar de oplettende caissière die haar betrapt bij het aftellen van twaalf (!) pakjes kaartjes. Kind heeft er, met z’n chocoladeplekhanden, ook al twee weg gegrist. “Het is vier pakjes per tien euro!”, zegt ze bits “en ik heb voor dertig Euro.” “U heeft voor 29 euro en dat komt op twee pakjes van vier en ik zie dat uw kleinzoon die al heeft,  dus de rest kunt u rustig weer terug leggen.” Bokkend loopt ze met een krijsend en lekkend jong de winkel uit. “Leuk hoor, kinderen overstuur maken.” Mompelt ze toch net hard genoeg.

Zo heeft Freek het  nooit bedoeld. AH heeft het weer goed bekeken. Terwijl de andijvie tegen de schutting omhoog groeit,  worden de kaartjes van onze sensatiebioloog  zorgvuldig  binnen de lijntjes geplakt en verbazen mijn kinderen zich over de spannende dieren die er bestaan. Voordat ik het in de gaten heb geef ik ook weer toe aan de verleiding, sta ik in de voorraadkast met de deur dicht te kijken naar lichtgevende salamanders en fluorescerende nachtdieren en laat ik mij compleet verrassen door de nagemaakte lucht van een stinkdier. Om te kotsen. Beware of de mestkever zeg ik!

Deze ronde moet AH het opnemen tegen de Plus. Freek versus Verschrikkelijke Ikke…ehh MINIUMS. Lelijke monsters die je op je potlood kunt prikken en die ongevraagd de scholen binnendringen om  kinderen van hun werk te komen houden.  Het zal de kids een rotzorg zijn dat potlood achteraan met een ‘d’ moet. Dat hoor je als je het woord langer maakt. Boeiend, wij maken onze potloden wel langer met onze miniums! Pfff. Erger nog zijn de tranen die de mormels veroorzaken als de schatjes spijt hebben van hun ruil of merken dat er één achterover gedrukt is door andere spaarders. Een manneke heeft een onderonsje met zijn vader. Zijn harde lach en knipoog maken, terwijl hij de poppetjes in zijn broekzak stopt, duidelijk dat hij het met me eens is. “Juffrouw Janske wil die dingen niet meer zien! “

Ik zeg 2-0 voor AH. Freek is mijn held. Wel een ventje, gok ik, dat vroeger op school  met flippo’s zat te spelen.  Maar goed, hij zal vast wel weten hoe je een potlood langer maakt en trouwens wat maakt dat nog uit als je,met gevaar voor eigen leven, kaaimannen  gifslangen en vogelspinnen bij de kladden pakt…

Goed nest

Met een zwaai gooi ik de achterdeur open en trap dan bijna met mijn blote voeten op een, ja wat is het, levend wezen, niet van de mooiste soort. In ieder geval is het een jonge vogel die hulpeloos met zijn pootjes ligt te trappelen en dat ie honger heeft is ook duidelijk. ‘VOGELGRIEP, niet aanraken! ‘ , flitst door mijn hoofd. Niet dat ik dat al van plan was want ik vind vogels, zeker als ze te dichtbij komen, griezelig maar deze roofvogelbaby kan hier niet blijven liggen.

Met een handveger probeer ik het dier op het bijbehorende blik te schuiven. Weinig succes, geen beweging in te krijgen, rillingen over mijn rug. Dan pas zie ik de boom boven me. Er steekt een slordige, bij elkaar geraapte, homp takken uit. Oké, dan moet dit dus een duif zijn, kan niet missen. Een duif die weer eens geen tijd heeft gehad om een fatsoenlijk nest te maken. Ik wist niet dat hun kleintjes zo afschuwelijk lelijk waren.  Dan maar met van die gele handschoenen…brr…

Duif. Al jaren lang één van de woorden die ik de kinderen in groep drie aanbied bij het leren lezen. D..UI..F..Domme, Uitbundige Foogel. “Het is vogel hoor! “ “Ja maar dat begint niet met een F en het zal je verbazen maar er zijn hordes kinderen die dat zo schrijven dus wat maakt het uit!”  Al een hele week zie ik een duif met veel te grote takken in zijn snavel door de tuin scharrelen. Nieuw nest. Ik houd mijn hart vast. Dan is er opeens heel heleboel onrust. Ze zijn nu met z’n tweeën. Het vrouwtje trippelt op en neer, het mannetje hobbelt er achter aan. Man klimt onhandig op vrouw, pikt haar in haar nek, schudt met zijn kop en veren en laat haar vervolgens gedesoriënteerd achter.

Mijn kinderen staan met hun neus tegen het raam naar het schouwspel te kijken en komen niet meer bij. “Wat was dat nou weer?” , vraagt mijn zevenjarige dochter. “Die waren aan het knuffelen.”, zeg ik zo neutraal mogelijk. “Aan het knuffelen???? Van de achterkant?? Wat dom! Bij knuffelen moet je elkaar kunnen zien. Volgens mij was dat vechten!” “Ja, dat klopt!”, valt onze vijfjarige zoon haar bij. “Maar dan zonder zwaard!” “Als ze zo vervelend tegen elkaar doen, komen er nooit duivenbaby’s, Tsss.”  Goed, ik weet waar we staan in de seksuele opvoeding. Knuffelen met de gezichten met elkaar toe..

Ik maak me meer zorgen over het slordige nest. Straks kan ik weer aan de bak om overboord gevallen gedrochtjes terug te proppen. Misschien eerst een cursusje takvlechten, daarna een workshop ‘knuffelen en strelen voor gevogelte’ en dan nog een vierdaagse opleiding tot reddingsvlieger. Sorry, ik ga te ver, dat weet ik wel. Het zijn dieren, geen mensen. Doe normaal. Goed dan..aan de andere kant. Als die dieren dat nou leuk vinden. Mensen die zich als beesten gedragen hebben we al genoeg!

 

 

Communie

“Dan krijg je een broodje van de pastoor.” , zegt de mevrouw die niets aan het toeval heeft overgelaten tegen haar net-iets-te-laat-gekregen-enige-ik -neem -er maar- één-lekker makkelijk-dochter. Dan doe je je COM-MU-NIE!” Nou mevrouw, ik denk niet dat uw kind doofstom is en zeker weten dat het geen broodje is wat de pastoor uitdeelt. Veel te veel eer voor de droge smaak van de opeenstapeling van snoeppapier zonder suiker.

Tot in detail herinner ik me mijn eerste Communie. Ik heb veertig graden koorts en ik moet mijn ‘broodje’ door mijn ontstoken keel zien te krijgen, of beter gezegd: gesmolten van mijn gehemelte af pulken met mijn tong en daarna de onaangename verrassing van de papachtige smaak. Niet bepaald een feestje. Niet omdat pap en mam het nou zo leuk vinden maar gewoon omdat dat nou eenmaal zo gaat op een katholieke school.

Ik ben nu dus een vriend van Jezus en ik heb zijn lichaam opgegeten. Ik vind Jezus zielig maar eigenlijk ook een beetje eng, of liever gezegd angstaanjagend. De gekwelde blik, de pin door zijn voeten en de straaltjes bloed over zijn hele lijf. Doorns in zijn hoofd geprikt. Lijden voor de vrede, ik weet het niet precies.

Ik zit met mijn 7 jarige dochter in de kerk. Een deel van mijn groep doet de Communie en daar hoor ik als juf bij. Ze vindt het reuzeninteressant want ze zit zelf ook in groep vier. In deze gemeente vinden ze het ludiek om een oude traditie te laten herleven. Nodig: een man met een boze blik (al dan niet geacteerd), een Napoleon-achtige steek (uit de verkleedkist), een sjerp met de tekst: ‘Eerbied in gods huis’ (kun je zelf maken) en een stok met een scherpe punt eraan om de mensen, die het wagen om dan ook maar één stap buiten het rechte pad wagen, mee te pikken. Voor mensen die hun woordenschat willen uitbreiden: dit fenomeen heet een ‘suisse’

Het is zover, onze leerlingen gaan het meemaken. Alsof het een attractie is staan ze te trappelen om te proeven. Maar dat valt tegen. Eén van onze meiden staat wild wapperend, met haar tong uit haar mond  naar ons te gebaren dat het héél vies is, niet te doen! Even later krijgt mijn dochter een koekje, het echte werk mag ze niet. Gelukzalig eet ze het op.

“Mama, waarom doe ik mijn Communie eigenlijk niet?” , vraagt ze als we weer in de auto zitten. Ik wil haar vertellen dat we geen tijd hadden om voor de kerk te trouwen omdat ik, eh, nogal snel  zwanger was  en dat we dopen ook niet persé nodig vonden, maar ze  geeft  zelf al antwoord. “Ik wil best zo’n mooie jurk maar zo’n tosti..volgens mij is dat helemaal niet lekker. Man en dat noemen ze dan ‘het lichaam van Christus’, het lichaam, het LIJF dus, BAH! En onze juf zegt dat je altijd nog vrienden kunt worden met Jezus. Dus ik zie nog wel als ik groot ben” Precies! Dankjewel juf….