Leeg

“Whèheheheeeeeheeieieiew”, hoor ik heel hard van beneden komen. Ik laat de was uit mijn handen vallen en sprint de trap af. Twee paar ogen kijken me schaapachtig aan. Het blijkt vals alarm. Rollenspel. De ene ligt in foetushouding op de grond, te gillen, (van de honger), de ander duwt er nephamburgers en pakken met ijsjes in. “Wij doen baby hoor mama”, zegt mijn dochter...’dus je hoeft heus niet zo hysterisch te doen.’ denkt ze erachteraan. Dan ga ik maar weer naar boven.


Als ik weer op zolder gearriveerd ben hoor ik een soortgelijk geluid: nu iets van: “Nouhouhouhouwop!” Glimlachend ga ik door met mijn strijkstapel en probeer te genieten van het feit dat ze zo fijn samen kunnen spelen. Wel vreemd dat de moeder van een baby zo hard moet huilen maar dat zal wel iets moderns zijn. Ik zal maar niet roepen dat ze ‘niet zo hysterisch hoeft te doen.’


Dan staan ze allebei boven. Huilend. Spel is over. Baby zich heeft de hamburger toegeëigend en nu heeft Moeder niks. Ik zucht en zeg dat ze alle twee ergens anders moeten gaan spelen. Nog harder gehuil. Dat willen ze óók niet. De keerzijde van de zomervakantie. Ze zijn echt gek op elkaar en ik op hen, maar het wordt tijd voor iets anders.


Jeugdweek. Voor het eerst doet onze zoon ook mee.  Even tijd voor mezelf. Heerlijk. Vast eens rustig aan het nieuwe schooljaar beginnen maar ook wat uurtjes voor MIJ. Het klinkt als een paradijsje maar de stilte slaat in als een bom. Ojee, ik lijd aan het ‘lege-nest-syndroom-for a couple of ours.’ Ik kan hier niet zijn in deze oorverdovende stille kamer. Een stille kamer waar ik vorige week nog zo naar verlangde.


Dag twee. Als ik ze ga ophalen zijn ze nergens te bekennen. Ze zijn te voet naar de speeltuin. Een half uur heen, zes uur spelen en een half uur terug. Dat trekt onze dochter nét maar onze zoon (hij is ook nog steeds maar vijf jaar), zeker niet. Als ik ze eindelijk zie aankomen zien ze eruit alsof ze een zware bedevaart hebben gedaan. Mijn zoon sleept zijn tas, als een dode hond achter zich aan. Zijn hoofd raakt bijna de grond. Lopen kan hij niet meer, alleen nog strompelen. De volgende ochtend zegt een zuchtend: “Mama, ik wil NOOIT meer zo moe worden.” mij dat het thuis tijd is voor een dagje ‘jeugdweek voor 1 persoon.’


Dag vier, hij is toch weer van de partij. Mijn dochter is niet kapot te krijgen. Hij straalt als ik hem ophaal. “Mama, ik heb een vriendinnetje.en ze is zo schattig, morgen ga ik weer!” Mijn lege-nest-syndroom begint op de lossen.Tijd voor MIJ voelt weer vertrouwd. Vanaf maandag is alles weer gewoon. Dan denk ik aan mijn kleuters en  hun mama’s. Mocht het voor jullie even slikken zijn? Bang voor stilte of zielige kroost? I know the feeling...I’ll take care. Komt goed!


Lef

“Ja, des de jeugd, kijken nergens naar!”, zegt de bejaarde vrouw tegen mij met een minachtend lachje op haar gezicht. Ze scharrelt met haar boodschappenkar keurig door de rij met allerlei verleidingen als mijn vijfjarige zoon haar pad kruist. Hij heeft zijn oog laten vallen op een zak Tumtum die hij graag van dichterbij wil bekijken.Oké, ze moet even stoppen maar als dit al niet kan. Ze staat nog helemaal rechtop en hoort in de categorie 100% zuurpruim.


Een paar dagen later, andere winkel, andere vrouw van boven de vijfenzeventig, andere zuurtegraad, geen lach te bekennen. Met een blik als een roofvogel kijkt ze in mijn mandje. Ze télt mijn boodschappen! Het zijn er acht. In haar armen houdt ze vier producten: een pak keukenrol, een stokbrood, een zak chips en een flesje Berken haarwater. “Ik mag zeker wel even voor???’, zegt ze dreigend en komt heel dicht bij me staan. “Ik heb veel minder dan jij en bovendien geen tijd om lang boodschappen te doen, en zo gaan mijn armen zeer doen…” “Nee, ik kom om in de tijd!” Ik weet niet of ik het zeg of alleen maar denk maar ik ga in ieder geval gewoon door met mijn boodschappen op de band leggen. Ze bekijkt het maar. Ik laat iedereen voor, als ik een volle kar heb, maar ik ben prima in staat om dat zelf te zeggen.


Maar dan de mannen. Ik sta aan de kassa bij Blokker. Ik ben aan de beurt maar ik moet een pas opzij doen voor een mevrouw van het type: ‘legging-tuniek-Crocks-overgewicht.’ Ik voel vaag iets aan mijn arm. Tot mijn verbazing staat er opeens een oude man, met een enorme zak vaatwastabletten, voor mij aan de kassa, te zwaaien met een briefje van honderd. Negeerstand aan, stampij maken over dat briefje, waar hij natuurlijk niet mee mag betalen.


Het kan altijd erger. Ik loop in gedachten over straat. Opnieuw een bejaarde man. Grijze broek, beige jasje, honingdropschoenen (zwart) en te grote bril met dik montuur. Ik trek het bij wielrennende mannen al niet, maar als het voor mijn neus gebeurt ,moet ik de neiging om te gaan overgeven onderdrukken. Luidruchtig schraapt hij zijn keel en kitst een groene rochel vlak voor mijn voeten. Ik moet wel reageren..”Gatverdamme meneer!” “Ja wat?” Hij haalt nonchalant zijn schouders op. “Nou dit, rochels op straat is toch smerig?”, zeg ik rustig. “Maar meisje, dát mag toch wel?” antwoordt hij precies even rustig. Het mag vast wel ja, maar netjes is het in ieder geval niet. Misschien moet u eens in discussie gaan met de zuurpruimen uit uw generatie, over wat wel en niet mag.


Het zullen vast de uitzonderingen zijn die ik tref..anders had ik hier moeten eindigen met (zucht) ‘dè zijn nou de bejaarden, van tegenwoordig, de bejaarden, die kijken nergens naar….


Hark

“We zullen jou maar eens op ballet doen!”, zegt ons mam als ik met mijn schoen achter het fietsstoeltje, waar ik op probeer te klimmen, blijf haken. Ik ben bijna zes jaar en niet erg rijk bedeeld met motorische vaardigheden.


Daarnaast ben ik erfelijk belast met onhandige en onnozele manieren van dingen oplossen. Gekregen van de vader van mijn moeder. Als ik een fotolijstje wil ophangen doe ik dat met een veel te dikke schroef en een hele grote hamer. Stukken muur vliegen in het rond maar het hangt. Kapotte dingen maak ik, onooglijk, met veel te veel plakband, ook als die plakband helemaal niet hecht op het materiaal. Cadeautjes pak ik ‘op zijn Huubs’ in en maak ze trouwens ook op die manier open: ratsend met mijn worstjesvinger langs de dichtgeplakte randen.Jammer dat hij er al zo’n lange tijd niet meer is. “Och, ze heeft de handen van onzen Huub!”,  zei mijn oma ontroerd toen ik nog geen drie kwartier oud was. Dus ík kan er niks aan doen.


Ondanks mijn motoriek heb ik de danslessen vijfendertig jaar lang aardig doorstaan. Oké, mijn coördinatie is niet optimaal en duurt het even voordat de dansjes in mijn lijf zitten maar dat is niet de reden dat ik nu aan de Zumba ben.Tijdgebrek wegens Theater is een beter excuus. Om mijn harkerigheid niet de kop op te laten steken wil ik wel iets doen. Dat er ook af en toe Body Attack en Pilatus bij komen, heb ik maar even niet gezien.


Zomerrooster lees ik op de site. Voor ik het in de gaten heb, sleur ik een step uit de kast. Nee, niet zo een met twee wielen maar het lijkt meer op zo’n vakantiebox voor op het dak van de auto. Ik heb al ruzie met het ding voordat de muziek start. Wel of geen ‘onderzetters’, wel of geen mat (want daar kun je over struikelen maar ik ben bang dat als ik het niet doe, ik zo meteen als een surfdude door de zaal ga) Dan barst het los. Ik snap de bewegingen wel (zie ik daar nou een jazzballetbeen? Leuk hoor maar funest bij Steps...heel slecht voor de knieën.) maar het tempo, waarin de geoefende dames (uit een ander groepje) de step op en af gaan, is moordend. Als het dan wel lukt val ik bijna voorover van het ding af. Naast mij zie ik een Zumba-maat het zelfde lot ondergaan. Na de sessie gutst het zweet van mijn lijf en heb ik spieren gebruikt die ik voorheen nog niet had.


Of het met mijn hark-imago nog ooit goed komt, weet ik niet. Ik blijf struikelen over bakblikken die ik drie seconden daarvoor zelf uit de oven heb gehaald, ik blijf mijn benen openhalen aan rotsen op stranden en mijn hoofd stoten aan keukenkastjes maar Pilatus en Body Attack doen keurig hun werk en met een goed ritmegevoel en een beetje zelfspot kom ik er ook wel. Iemand nog motorische uitdagingen voor mij….? Huub?


Kamperen (2)

Hij: roodbruin regenpak met oversized capuchon, zij: zelfde pak, andere kleur, vult hem akelig perfect aan. Zoon, van het type: doet nooit zo moeilijk terwijl hij toch al bijna puber is, speelt  met een bal, in regenpak uiteraard. Ze ruimen hun tent op, in de stromende regen en dragen hun lot zonder gezeur.

 Thank god there is Coco! Ik heb het niet over een papegaai of een duur parfum. Coco is ons vakantieverblijf. Coco is een huurtent met deuren en harde wanden. Ze (want ze is vrouwelijk, dat zie je meteen) is dan misschien een nachtmerrie voor de diehard kampeerder, die graag de regen tegen het doek hoort kletteren, die houdt van klamme spullen en die het  zware geluid van een dicht zippende rits het einde vindt, voor ons is Coco the bomb. Bovendien blijven er nog genoeg kampeertaferelen over.

Ook wij moeten, in deze weersomstandigheden, met kapotte Tinkerbell paraplu naar de wc. Helaas is ons gezin niet uitgerust met ANWB-familie-regenkleding. Of sjouwen met was en afwas. Deze camping heeft bedacht om deze twee activiteiten te combineren. Om en om. Heel handig en totaal niet gênant ontdek ik. Als ik mijn emmer met te vaak gebruikte handdoeken en niet meer zo heel fris ondergoed, in de wasbak heb gezet komt er een keurig nette man naast mij staan. Vlekkeloze witte polo, lichtblauwe bermuda zonder kreukels, en verzorgde, gepedicuurde voeten in leren slippers. Ik sta die man heus niet van boven tot onder te bestuderen maar ik zie dat altijd. Nauwkeurig begint hij zijn onberispelijke Mepal servies uit te stallen, soort bij soort uiteraard. Als eerste vis ik een boxershort van mijn zoon uit de emmer, met bussen, op een witte achtergrond. Tenminste dat was zo. Nu begrijp ik waarom hij steeds zo snel terug is van de wc. Vlug zet ik mijn emmer ervoor en tover mijn allerliefste glimlach tevoorschijn. Onverstoorbaar droogt de man een rijtje vorken af.

Opeens staat mijn dochter voor me. Drijfnat, inclusief de handdoek die ze had meegenomen om te douchen…op de grond laten vallen, natuurlijk. Wist ik al. Met een emmer vol natte, niet veel schoner geworden was en druppende dochter loop ik, voor de zoveelste keer voorbij de bus van de bezige,  charmante Brit (ja, ze bestaan, als je goed zoekt). Ik krijg een vette knipoog en een geamuseerd knikje richting mijn natte bagage. Dat is nou kamperen, met of zonder tent met deuren.

’s Avonds, als ik terugkom van het tandenpoetsen en net een vleermuis heb ontweken is mijn lief in de weer met een rol roze toiletpapier. “Kijk die rotbeesten komen op het licht af.”, zegt hij terwijl hij zich in allerlei onmogelijke posities buigt. Ik zie niet één, maar wel vijf boskakkerlakken, achter elkaar door onze slaapcabine rennen. Door de kieren van de Coco gekropen. “En die lopen ’s nachts zo je mond in hè”, klinkt het weinig geruststellend. Dat weiger ik te geloven. Ik zeg nog steeds: ideaal dit onderkomen, nou ja, bijna dan!

Maison d'Hotes

"Bestemming bereikt aan de rechterkant.", zegt Tom en ik hoor een lichte irritatie in zijn stem. We staan op een smalle, donkere weg, omringd door naaldbomen. Verder: Niets! Geen huis te bekennen of wel soms Tom? Dan nemen het nog smallere straatje verderop maar.

De moeder van de, elkaar met stenen bekogelende, kinderen rookt verveeld een sigaret. "Ce passe tous les jours!" zegt ze vriendelijk tegen ons. Goede straatnaam, verkeerde dorp. Slordig van onze Tom. "...Arrête!!", blaft ze tegen haar kroost. Het jongetje heeft zojuist een steen tegen zijn voorhoofd gekregen en staat nu met een handvol naar zijn zus te dreigen. "Bye bye!" roept hij tegen ons. "Au revoir", ik ben blij dat dit niet de goede bestemming is.

Maison d'Hotes, Chant du Loup, goede straatnaam, goede dorp. Het oogt nog steeds niet heel uitnodigend maar dat komt vast goed. Ik voel aan de klink van een traliehek en dat gaat helaas open. Meteen stormt er een grijze Lassie op me af maar die draait, op wonderlijke wijze, weer om als hij mij ziet. Zo vreselijk zie ik er toch niet uit? "C'est ici..maison d'hotes?", vraag ik aarzelend aan de man die me glazig aankijkt. 'Zeg nee, zeg nee, zeg nee', klinkt het in mijn hoofd. "Oui, oui", zegt hij en dan verschijnt er ook een vrouw.

De kinderen kijken hun ogen uit. Zoveel beeldjes, op kasten, in de badkamer, in een letterbak (nee, ik heb niets meegenomen, te lelijk, ik heb alleen het clowntje en de balletdanseres zonder hoofd omgewisseld)hebben ze nog nooit gezien. Perzische tapijtjes, oma's dessins, het houdt niet op. De stofvlokken onder het bed heb ik niet gezien. Echt, ik kan best tegen poetsen met de Franse slag maar dit is....de Franse slag.

De volgende ochtend, ontbijt. De geur van zweetvoeten komt ons tegemoet. Ik weet dat het kaas is maar 's morgens komt dat nog harder binnen. De vrouw heeft zich uit de naad lopen bakken want er staat taart en cake op tafel en brood in vormen die bij de Boulangerie niet te verkrijgen zijn. Gretig valt mijn zoon aan op de natte pruimentaart. Zijn gezicht vervormd helemaal. "Zuur mama.", weet hij nog uit te brengen. Tegenover me zit mijn dochter ook niet heel gelukkig te kijken. De jam smaakt naar beschimmelde kelders. Dapper probeert mijn lief de tapkoffie weg te krijgen. "In 1813 gezet!" zegt de slappe lach kondigt zich aan.

"Mama, niks smaakt hier zoals thuis!" gilt onze zoon door het ontbijtzaaltje. Tijd om naar huis te gaan. Met opgeheven hoofd open ik het traliehek. Ik blijf er met mijn hak aanhangen. Bloedend (en glimlachend en zwaaiend naar de vrouw) verlaten we het terrein. Misschien had ik toch een potje jam moeten kopen..

  • Janske Wittgen-van Gerven