Beukennootjes

Ons meisje doet mee aan het ‘beukennootjestoernooi’. Als beelddenker, (o nee, dat heet niet zo, want een beelddenker hoort thuis in het rijtje: autisme, ADHD, hoogbegaafd en dyslectisch), nou ja ik zie altijd alles levendig voor me, stel ik me voor hoe ze verkleed als beukennootje, een wedstrijd moeten hockeyen. Best lastig met die onhandige pakken.


Natuurlijk doen ze dat niet. Gewoon wat wedstrijdjes spelen tegen meisjes van ongeveer hetzelfde niveau van clubs uit de buurt, voor de lol. Verder een keer over de opblaasstormbaan en een broodje knakworst. Meer niet. Toch? En die beukennootjes dan? Het is herfst. Gewoon leuk bedacht. Toch? Ja zeker!


Nou heb ik in heel mijn leven nog nooit meegedaan aan een toernooi en ben ik een analfabeet op spelregelgebied. Gym geven aan kleuters is al uitdaging genoeg. Volgens mijn lief ben ik wél fanatiek. Natuurlijk wil ik graag dat onze meisjes winnen en krijg ik hartritmestoornissen als de bal er bijna ingaat en begin ik spontaan allerlei dingen te roepen (die door de beugel kunnen uiteraard) maar blijkbaar nog lang niet fanatiek genoeg zie ik.


De coach van onze eerste tegenstander is van een heel ander kaliber. Zijn blonde, platte kapsel, steekt af tegen zijn groen-bruine jas en niet bijpassende, want net een andere kleur, groene broek. Zijn hoofd is zover voorovergebogen, dat ik bang ben dat hij zo meteen, met zijn snufferd op het veld valt. “Herstellen” schreeuwt hij tegen de meisjes als ze de bal kwijt zijn, alsof ze lelijk gewond, of ziek zijn. Ook moeten ze snel ‘terug naar hun eigen positie’. Alsof er een groot geldbedrag op het spel staat. Onze dames hebben geen idee dat er iets als posities bestaat. Zijn meiden kijken niet op of om, waardoor hij nog harder begint te roepen.


“BAM!”, roept hij, wanneer een van zijn sterspeelsters scoort. “ZO WILLEN WIJ HET HEBBEN!”. Hij slaat met zijn ene vuist in zijn andere hand.Zijn wenkbrauwen zijn naar binnen gefronst, zo serieus neemt hij zijn taak.  Met open mond kijken onze meisjes naar hem en dan naar ons. ‘Papa’s, mama’s, zo moet je je dus blijkbaar gedragen om een wedstrijd te kunnen winnen.


Alles winnen ze, het kan ook bijna niet anders. Ik denk aan zijn vrouw thuis, vermoeid op de bank, blij dat ze hem even kwijt is. Ze weet dat hij straks wéér met een kampioensschaal thuis zal komen. Dan zal ze zeggen: “Wat heb je dat weer goed gedaan, jongen.” Dat hij ook nog de felbegeerde prijs voor ‘Best-verklede-beukennootje’ in de wacht zou slepen, daar had ze even niet op gerekend….


Taart

Kwijlend zit onze zoon boven het boek. “Deze wil ik!”, zegt hij vastberaden en ik durf bijna niet te kijken. Welke uitdaging hangt mij nu weer boven het hoofd. Ik moet het taartenboek, dat mijn lief, na een eerdere mislukking, een keer van de goedheiligman heeft gekregen, toch eens verbannen naar de zolder.


Deze keer moet het een spelbord worden, met vakjes, ladders en kruipende snoepwormen. Alleen de vorm al is een uitdaging. Ik heb zo ongeveer vijfentwintig cakevormen in huis maar geen een is er vierkant natuurlijk. Ik pak gewoon het bakblik uit de over en snij er straks wel  een stuk af. Of zo. Ik hoef dit niet te doen, ik kan ook  naar de bakker gaan maar ik wil ze een plezier doen en stiekem vind ik het ook wel leuk, ik kan het alleen niet, niet goed genoeg.


Het gaat al fout bij de cake, die is niet heel hoog geworden. Ik moet hem snel, en heel, uit het bakblik zien te krijgen maar de oppervlakte is te groot. Gaat niet met twee handen, en toch moet het. Omdat er vulling in moet, moet het geval ook nog eens doorgesneden worden, de bovenkant eraf. Ik wacht niet lang genoeg, en het resultaat is zielig, mistroostig, erger dan mislukt. Er zitten meer gaten in het onderstuk dan dat er nog cake is overgebleven. Ik heb het gevoel dat Martine Bijl ieder moment achter me kan komen staan om het geheel te voorzien van komisch commentaar.


Ik zet door. “Het gaat goed mama!” roept mijn zoon, zonder op te kijken van zijn PlayMobil. Hij voelt vast dat ik deze support nodig heb en het is zeker ook eigen belang. Met crème lukt me om alle kieren en gaten dicht te smeren en de vakjes (gemaakt van fondant die ik zelf gekleurd heb met kleurstof, is ook zeker een aanrader en ik lijk ook helemaal niet op een kleuter die  met vingerverf in de weer is geweest), ladders en wormen camoufleren heel aardig de puinzooi aan de binnenkant. Soms telt alleen het uiterlijk, kun je het belang van de binnenkant verwaarlozen. Niet dat het een prachtstuk is, nee alles behalve. Bij Heel Holland bakt, had ik zeker de tent moeten verlaten.


“Wow mama!! Dit is echt prima, dit is precies zoals ik het wilde hebben!” zegt mijn zoon en hij meent het. Aan de andere kant, op What’sApp  heeft mijn lief al geconcludeerd: volgende keer ga je maar gewoon naar de bakker. Ik pieker er niet over. Als ik ooit dood ga wil ik dat mijn kinderen zeggen: “Ons mam kon lekkere dingen maken maar één ding kon ze niet, netjes een taart bakken. Maar haar gelukkige gezicht als we er dan toch blij mee waren was onbetaalbaar!” “Ging ze dan nooit naar de bakker?” “Nee, dat deed ze niet, zo eigenwijs was ze wel, allemaal om ons een plezier te doen!” “Dat is toch lief?” “Heel lief, maar ik moet gaan want ik heb mijn schat zelfgemaakte appeltaart beloofd...”

Geluk

“Whèèèèèhhhhh, ik wil nog een ijsje!” zegt het meisje tegen haar keurige, hoogopgeleide moeder die  ook nog orthopedagoge is. Ze zijn op vakantie in Italië en haar moeder is ‘out of the office’.  Haar moeder heeft, samen met drie andere professionals, een boek geschreven over het feit dat kinderen het beste leren als ze gelukkig zijn, dus moet ze zelfs op vakantie haar vak uitoefenen.


Ter inspiratie ben ik, samen met een collega, bij een lezing over dit boek beland. Ik zal de laatste zijn die zegt dat ze ongelijk hebben maar breng het maar weer eens in  praktijk.

“Ik snap dat jij nog een ijsje wil, deze ziet er ook heel lekker uit, ik vind het ook heel vervelend voor je, daarom krijg jij nu een aai over je bol, maar je krijgt GEEN ijsje. Hoezo blij maken met een dooie mus. Ik ben meer van: “Wat denk je zelf? Nee natuurlijk krijg je nu geen ijsje, je hebt er net een op.” Bam! Duidelijk.


Mijn gedachten dwalen af naar een paar dagen daarvoor in de klas. Een nieuwe kleuter is bezig met alle blokken uit de kast te storten. Niet uit kwaadheid maar uit ondernemingszin. Maar ja, we zitten in de kring dus dit is niet het beste moment. “Wat jammer nou, dat jij geen toren mag bouwen, wat een trut van een juf heb je toch ook, kom maar gauw bij diezelfde juf op schoot zitten lieverdje, MAAR JIJ MAG GEEN TOREN BOUWEN!


“Neem eens een JA-dag”, roept een van de andere schrijfsters.Wij zeggen veel te veel nee op een dag. Dat geloof ik best. “Juf, mogen we buiten blijven? Juf mag ik mijn mandarijntjes in de prullenbak gooien? Juf, mag ik in de poppenhoek spelen zonder op te ruimen? Juf mag ik alles  uit het buitenhok halen?  Juf, mag ik door jou heen praten?” “Ja hoor, doe maar fijn.” Ik weet niet of dit persé de dingen zijn die zij willen dat ik onthoud en al zeker niet op deze manier maar dat is toch wat er gebeurt. En na anderhalf uur luisteren, steekt, niet alleen bij mij, een lichte vorm van baldadigheid de kop op.


Na afloop mogen we aansluiten bij het buffet. De rij is lang dus we nemen vast een wijntje. Laten onze jassen, tassen en drankjes even staan, dat kan toch wel? Als we terugkomen met volgeladen bordjes zit er een compleet nieuw gezelschap aan onze tafel, onze drankjes op te drinken. Ze geven geen kik, want, zo blijkt, familie van één van de auteurs en dus recht op een zitplaats. Punt. “Wat jammer voor jullie, dat wij jullie plekjes hebben ingenomen, hè vervelend en ook stom van ons, kom hier dan krijgen jullie een knuffel, EN NOU OPZOUTEN!”, was misschien op zijn plaats geweest.


Lieve klas, ik hoop dat jullie gelukkig zijn. Ik gun jullie een JA-dag maar ik gun jullie ook de wetenschap dat het soms gewoon ‘nee’ is. Hoe zou je anders het verschil kunnen voelen. Oké? Ja? Gelukkig!




Kinderfeest

Al een halfjaar is onze vijfjarige zoon bezig met de organisatie van zijn kinderfeest. Hij wil een speurtocht in het bos, hij wil spelletjes doen, hij wil jongens én meisjes uitnodigen (thank god) en hij wil poffertjes eten. Wij wensen nog een beetje mooi weer erbij.


Toch vind ik het altijd weer een beproeving. Fluitje van een cent voor een leerkracht en een ex-leerkracht (het blijft in je bloed zitten, ook al wil mijn lief daar niks van weten), zou je zeggen maar het tegendeel is waar. Vijfendertig kleuters in een lokaal voelt comfortabeler dan acht zesjarigen, in feeststemming, elkaars ‘door-het-dolle-heen-gedrag kopiërend, thuis aan tafel. Van mij wordt verwacht dat ik toch vooral reageer als moeder, en niet als leerkracht. Killing, die dubbelrol.


Het is zover. Hoewel het al herfst is, is het bos overgoten met sprookjesachtige zonnestralen. Alsof er zo meteen een prins op een paard verschijnt. Er wordt fanatiek gezocht naar Igor, een vogel die niet zingen kan. Ik geniet van de glimlachende gezichtjes die onhandig met hun ‘snavel’ snoepkikkers uit een ‘vijver’ vissen. Ik negeer het feit dat ze wegrennen zodra ze zelf aan de beurt zijn geweest en met takken gooien terwijl ik dat al zes keer vriendelijk heb verboden (op school snappen ze dat meestal al na één keer).Glimlachend zet ik de ‘ik moet plassers’ achter een boom en rijd ik met  ‘ik moet NU echt poepen’ op en neer naar huis. Geduldig aanvaard ik meerdere keren: “Ik lust het niet meer.” en weet ik heel goed dat ik niets te klagen heb over dit schattige gezelschap.


Na het eten, moet ik opeens een ambulance bellen. Iemand heeft zijn vinger eraf gesneden. Het is in één klap doodstil als ik ook echt de telefoon pak. Ze zal toch niet…”Prima, over een half uur ja, ja bij het kinderfeest van Tibbe, weet u dat te vinden?” “Het is niet echt”, roept het jongetje benauwd.”Hij komt er zo aan.” , doe ik er nog een schepje bovenop. “Nee hoor, jij speelt toneel!”, roept een meisje dat mij al langer kent. “Jij hebt ook een eigen theater, dus!” De opluchting is groot. “Je kunt wel zeggen dat jij hele goede grapjes kunt maken!” zegt mijn zoon’s beste maat. Ik voel dat hij een high five overweegt en nu is het mijn beurt om te glimlachen.


Als we alle feestgangers naar huis hebben gebracht, zit mijn zoon, spierwit van vermoeidheid naast mij in de auto. “Mag ik nou ook nog al mijn cadeautjes uit de doosjes halen?”, zucht hij. Ja, natuurlijk mag hij dat. Hij straalt. Keurig netjes wordt alles gesorteerd en bewonderd. Als hij naar bed gaat slaat hij zijn armpjes om mijn nek. Zijn ogen vallen bijna dicht. “Ik hou van jou mama!” ,zegt hij. “Ik ook van jou jongen, ik ook van jou.” That’s why I did all this.  En zolang ik ook nog gezien wordt als de mama van de goede grapjes, kan ik niet gelukkiger zijn!