Vijf december

Een soort van verlegen komt de Sint de gymzaal van onze school binnen. Hij is veel kleiner dan op tv en zijn baard en hoofdhaar veel geler. Zijn stem is anders, eigenlijk zegt hij niet veel maar wat hij zegt is maar half verstaanbaar. Ik kijk naar mijn kleuters, die het verschil waarschijnlijk wel opmerken maar die hier verder niets mee hoeven. Dan kijk ik naar mijn eigen kinderen van zes en bijna acht, die ik omdat het zondag is, mee heb  genomen. Ook hier geen verbaasde trekken in het gezicht.


Als we vijf minuten thuis zijn komt de Sint opeens, op een wit paard met zwarte stippen (!) bij ons door de straat. Hij heeft geen bril meer op, zijn beharing is weliswaar witter maar niet heel goed ‘ge-vi-sa-gied.’ Zijn snor hangt hartstikke scheef. Het lijkt wel of ik naar André van Duijn bij Animal Crackers sta te kijken. “Jullie zien eruit alsof jullie een liedje willen zingen voor de Sint.” Mijn zesjarige zoon, die heel veel nadenkt, over alles, kijkt ook nu bedenkelijk. Eén: hoe ziet iemand die een liedje wil zingen er dan uit en twee: Hoezo heeft het paard, dat net nog wit was, nu opeens zwarte stippen??


Mijn dochter zingt, zonder twijfel, uit volle borst het liedje maar mijn zoon doet het als een boer met kiespijn. Als hij klaar is roept hij: “Waarom heb jij nu opeens een hele andere stem dan een half uur geleden in de gymzaal bij mama’s school?’’ “Dat komt omdat de Sint nu buiten is”, zeg ik snel maar dat hij me niet geloofd is duidelijk.Gelukkig zorgt de lading pepernoten die hij in zijn handen gepropt krijgt voor genoeg afleiding. Ik ben benieuwd wie er bij ons als eerste onder het ‘geloof’uit gaat.


Een paar dagen later komt mijn dochter verontwaardigd  naar boven. In haar hand heeft ze de brief die ze gisteren aan Zwarte Piet heeft geschreven en in haar schoen heeft gedaan. “Mama!, hij is gewoon mijn tekening vergeten.” “Zat er wel iets in je schoen?’’, vraag ik alsof ik dat echt niet weet. ‘Shit’ denk ik, ‘dat ben ik  nog nooit vergeten.’. “Nou, ja dan zal hij het wel druk hebben gehad hè.” concludeert ze zelf. ‘Hij’ heeft het inderdaad druk! ‘Hij’ moet toch in het vervolg echt wat beter gaan opletten en er misschien niet vanuit gaan dat ze geloven dat al die dozen op zolder voor papa’s werk zijn.


Dan is het zover, de eerste pakjesmiddag breekt aan. “Moeten we niet een zak met cadeautjes meenemen?”, zegt mijn zoon als we in de auto stappen. “O, nee, dat doet Sinterklaas natuurlijk.” Ik weet niet wat hij precies bedoelt maar ik reageer niet. Als ik de volgende dag zelf een hand pepernoten door de kamer smijt hebben ze echt geen idee waar die vandaan komen. De verbazing is niet gespeeld. Als ik even niet oplet ligt mijn zoon te slapen op de bank. Na een uur wordt hij wakker en zegt: “Kon je in de oertijd ook al verkering hebben?” Dusss..Ik zeg vermoeiend én verwarrend, die vijf december stress...

Simpel

Wijdbeens staan de militairen met hun enorme geweren, streng voor zich uit te staren. Ze zijn er voor onze bescherming en toch krijg ik er de kriebels van. Dubbelzijdig dat wel..want mannen in uniform..hmm..ja sorry. We rijden het Antwerps Sportpaleis voorbij, op zoek naar een parkeerplaats, als er opeens een uit zijn rol valt. Hij tovert een glimlach op zijn gezicht en zwaait, stiekem, met zijn hand net iets onder zijn navel, naar óns. De avond kan nu al niet meer stuk.


Mijn schoonzusje heeft, in ruil voor zes flessen rode wijn, twee kaartjes voor Simply Red op te kop getikt. Met een verkeersdildo worden we naar een modderige parkeerplek genavigeerd en vijf minuten later staan we al binnen, omringd door vet-etende mensen, allen voorzien van drie of vier vetrollen die niet alleen aan de voorkant maar ook aan de achterkant zitten. Die vette happen kan ik, gezien het tijdstip, nog wel begrijpen maar er zijn ook hordes mensen die de tijd likkend aan een ijsje voorbij laten gaan. Er lopen zelfs heuse ‘ijsboerkes’ met koeltassen over de tribunes. Zal wel ‘Bels’ zijn.


Hoewel het nog zeker een uur duurt voordat het concert gaat beginnen vermaken wij ons prima. Voor ons een vrouw waar je wel naar moet kijken. Is het een pop of een echte vrouw? Niet dat ze een roze jurk aanheeft of extreem lange wimpers. Een grijs/zwart bloempotkapsel siert haar hoofd, make-up lijkt haar overbodig en haar gezicht is compleet mimiekloos. Ze zit kaarsrecht en doodstil op haar stoeltje.


Dan verschijnt er op de trap een oude man aan de arm van zijn dochter. Ik denk dat bompa ook een avondje uit mag. Hij sukkelt van de betonnen treden af en ik houd mijn hart vast. Terecht want hij struikelt en duikt zo in de schoot van de vrouw voor ons. Even later zit hij ook bewegingsloos op zijn stoeltje  te bekomen van de schrik. Iemand nog een ijsje?


Eindelijk is het zover en als Mick opkomt en begint met een magisch ‘Holding back the years’ weet ik meteen dat het ook nog een geweldig concert gaat worden. Hij eindigt met de woorden:  “I love you, I love you all, I love almost all the people, exept for them who blow up othes. Fuck them, they will never win. And if you know this song, sing with us en show each other what really counts.” Rood licht overdekt het sportpaleis terwijl Mick zingt:  “If you don’t know me by now…….” De zaal antwoordt uit volle borst: ‘You will never never never know me’...Tranen in mijn ogen.


Ik begrijp echt niet waarom die malloten willen dat iedereen hetzelfde is. Voelt dat dan veilig? They will never never NEVER know. Om koud van te worden. Kouder dan al het hier aanwezige ijs bij elkaar. Maar ik zeg: Lang leve de bewegingsloze grijze muizen, de vetrollen, de zwaaiende militairen, de vallende bompa’s en de ijsboerkes. Lang leve de muziek en de liefde. Simpel.




Dieren

Onverschillig hangt de chimpansee tegen de muur. Hij is mega chagrijnig, dat zie je zo want hij staat met de rug naar ons toe. Opeens zwaait hij zijn arm boven zijn hoofd. Nu snap ik het, hij is aan het tellen. Ze doen verstoppertje. Acht wat leuk. “Juf, hoe is het,  gaan we nog verder of blijven we hier de hele dag naar die saaie aap staan kijken?” We zijn op schoolreis naar de Beekse Bergen en vandaag heb ik geen kleuters bij me, maar een club jongens uit groep vijf, van het type kleine hartjes, stoer gedrag.


Samen met mijn collega, die ook een groep, hoe zal ik dat eens subtiel zeggen, energieke jongens die graag een leerkracht in de buurt hebben, zeker op dit soort momenten, zeg maar de niet-geheel-makke-lammetjes, onder haar hoede heeft, loop ik door het park. Wij mogen ons gelukkig prijzen dat het niet bijzonder druk is vandaag, zodat de mannen naar hartenlust hun gevoelens kunnen uiten en op tijd de behoefte om weg te rennen ook lichtelijk te kunnen toepassen.


Zou de olifant een gevoelsdier zijn? Op het moment dat wij voorbij lopen heeft hij meteen de volle aandacht. Blijkbaar vindt hij, want het is overduidelijk een man, het nodig om tegelijkertijd te gaan plassen, of zeg maar gerust pissen en kakken tegelijk. Zou hij gedacht hebben: ‘ik zal die mannen eens op stang jagen’ ? De geur die zich in onze neuzen boort, slaat in als een bom. De drukste uit ons groepje kan het ongeveer niet meer aan. Hij struikelt bijna over zijn eigen voeten en roept: “Gvd, ik stink nu dus helemaal naar meur, én bedankt juf, dat je mij meeneemt naar deze stinkdierentuin.” Gelukkig lacht hij er nog bij maar wij kijken toch een beetje angstvallig om ons heen of er niemand hoofdschuddend achter ons staat.


Bij de stokstaartjes ligt er bijna één in het verblijf. “Stel hè”, zegt veruit de slimste, “stel dat hij nou echt gevallen zou zijn hè, dan zou dat niet héél erg zijn. Kijk stokstaartjes mogen er dan schattig uitzien, dat zijn ze dus niet. Het zijn roofdiertjes, maar wij mensen zijn natuurlijk veel te groot voor hen. Dan zouden ze gewoon maar een heel klein hapje nemen, bijvoorbeeld uit je wang of uit je billen. Je zou er in ieder geval niet aan dood gaan.” Ik zie ons al terug komen met een groep jongens vol gaten. Dát zullen die ouders toch niet zo erg vinden….


Als ik thuis kom, ben ik kapot. Ik mik mijn tas in een hoek en schuif aan tafel bij mijn familie. Ik doe verslag van mijn dag en laat een boer. Ik schrik ervan. Ik geloof dat ik iets te lang tussen de dieren heb gezeten. Tja, dan ga je toch dat gedrag overnemen, daar kan ik helemaal niets aan doen. Het zou trouwens best kunnen, besluit ik mijn verhaal, terwijl ik opsta en een rondje rond te tafel ren, dat ik nog vol zit met olifantenmeur!


Ziekenhuis

“Appt de dokter als oma dood is?” vraagt ons nichtje in de auto aan haar moeder, zeer onder de indruk van een bezoekje aan haar behoorlijke zieke overgrootoma. “Nou ik ga even de familie appen dat mevrouw’s hart het begeven heeft, het kan maar gebeurd zijn, heerlijk die werkdrukvermindering.”


Ik heb het niet zo op ziekenhuizen. Ik word misselijk van de geur van ontsmettingsmiddel en bloed is ook niet mijn lievelings. Een infuus in een hand staat op één wat betreft goede redenen om bijna van flauw te vallen. Ik zie nog de levensgrote chocoladekippen achter mijn bed dansen na een kijkoperatie. Hallucinerend van de morfine mag ik met een virtuele papegaai op mijn schouder naar huis.


Soms moet het gewoon. De oma van mijn lief is met hartklachten opgenomen en ik wil haar graag even zien. De deur is dicht.Altijd spannend wat ik daar ga aantreffen.Ik houd mijn adem in en das niet goed want ik ben meteen misselijk. Oud vrouwtje, ogen dicht, wit gezicht. Het zal toch niet hè!! Haar borst gaat dan wel op en neer maar wie zegt mij dat het geen machine is die onder haar nachthemd zit. Ik ga maar even bij haar zitten, starend naar het glas karnemelk waar een klein slokje uit is.


Opeens zit ze rechtop. “Dag schat, zit je hier al lang?  Ik schrik me te pletter. Niet dood dus, of althans niet helemaal. “Vertel jij maar wat want ik heb niks feestelijks meer te zeggen.” Ik vertel over mijn werk. Dat ik, terwijl dat helemaal niet mag, met krijt, letters op de gymzaalvloer heb getekend. Dat één kleuter mij in bescherming nam door te roepen: “Dat gaan we tegen niemand vertellen, anders moet juf Janske een hele nieuwe gymzaal betalen.” Ze schudt op een neer, zwakjes, maar van het lachen dus heb ik toch iets voor haar kunnen doen.


Dan komen er twee ergotherapeuten binnen. Ze roepen hard tegen oma. Dat moet ook, anders verstaat ze het niet, óf acteert ze dat ze het niet verstaat. Ik heb de hele tijd op zachte toon met haar gepraat. Ze slaat om als een blad aan een boom. “Ik ben een lastige patiënt hoor!” waarschuwt ze. Ze maakt allemaal geluiden bij elke beweging die ze maakt, als een heuse ‘pain in the ass’. “WE GAAN EEN NIEUWE STOEL VOOR U REGELEN!!! DAARVOOR MOETEN WE ALLEEN MAAR EVEN UW HEUPEN OPMETEN.”


Daarvan krijg ik het lichtelijk op mijn heupen. Ik beloof haar snel weer terug te komen en laat het tafereeltje doorgaan zonder mij. “Bedankt schat.”,  zegt oma en ik hoor een flard van haar lieve stem terug komen. “Vergeet niet je handen te ontsmetten voordat je naar buiten gaat.” , besluit ze. Ze blijft nog even,  is mijn eindconclusie. Als ik thuiskom doet mijn zoon daar nog een schepje bovenop: “Had oma nog gouden eieren van de EMTE voor ons gespaard?” vraagt hij. “Nee schatje.” Als ze binnenkort langzaam uit ons leven gaat vertrekken dan is ze nog lang niet echt verdwenen.

Bungalowpark

Gewapend met mijn incheckpapieren loop ik het park op. Ik word al bijna omhelst door een levensgrote mascotte in een pluchen pak maar ik weet hem, of haar, vakkundig te omzeilen. Hij, of zij, zwaait nog een keer onnozel naar me maar ik hoop heel erg dat er een klein kind achter me staat maar nee, helaas.


Hoewel het inchecken officieel pas over tien minuten begint, staat het gebouw bomvol met mensen. Gillende, met lolly's in hun mond, rond rennende kinderen. XL-getatoeerde mannen en vrouwen met sportsokken in makkelijke stappers of zelfs slippers en sportkleding, terwijl sporten dit weekend toch helemaal niet op hun agenda staat. Zes receptionistes  zijn bezig het volk weg te werken. Ik trek een nummertje en laat het gewoon over me heen komen, probeer onderdeel te worden van wat zich hier allemaal afspeelt.


Gewoon een weekendje weg, met de kinderen in de herfstvakantie, het kan koud zijn en een stacaravan is alleen leuk als je er ook regelmatig UIT kan. Dan kom je al snel uit op een huisje en dan ontkom je bijna niet aan een, en ik durf het bijna niet hardop uit te spreken (dus fluister) bungalowpark. Als ik eindelijk aan de beurt ben, kijkt de vrouw vol medelijden naar mijn papieren. “Volgens mij staat u hier bij het verkeerde park, eens even kijken, nee u staat niet op de lijst. U moet één dorpje verderop zijn.” Ik ben al lang blij dat we niet naar een andere provincie hoeven te rijden. Ze vindt ons echt zielig. Ze weet wat ons te wachten staat.


Ik weet niet hoe snel ik het pand moet verlaten. Niks voor mij om als een kip zonder kop op de wapperende vlaggen af te gaan. Niks voor mij om te vergeten dat we dit ook helemaal niet geboekt hebben. Het juiste park is van een heel ander kaliber. Opeens herinner ik me ook het prijsverschil. Geen pluchen ontvangst, maar gewoon een aardige meneer die ons de sleutel geeft. Geen nummertjes maar meteen aan de beurt, geen winkel vol schreeuwende gasten, maar broodjesservice op zondag. Geen subtropisch zwemparadijs, alleen een minispeeltuin. Overigens ook geen oven, vaatwasser, ligbad en n’espresso koffiezetapparaat. Oja, het prijsverschil.


“De broodjes van Wittgen, dat vind ik stom klinken!” Zegt onze dochter lachend. “Dat ga ik echt niet zeggen hoor.” Ik weet zeker dat ze dat wel gaat doen. En ik weet zeker dat ze ervan geniet dat ze, helemaal alleen, naar de receptie mag, om onze Zondagse broodjes op te gaan halen. Ander vermaak is: schoenen vol Limburgse klei van een lange: voor-elk-dier-wat-jullie-zien-krijgen-jullie- een- tumtum-wandeling, en kiezelsteentjes verzamelen op een terrasje.


‘Enjoy your moment’ lees ik op de muur van een wc, ‘we moeten opnieuw leren om blij te zijn met minidingen die dichtbij ons gebeuren, lees ik in mijn meegebrachte tijdschriftje. Op de laatste avond belanden we bij een schattig Italiaans restaurantje en beginnen te dromen over de komende zomer. “Waarom eten wij eigenlijk nooit bij de Mac Donalds?”, vraagt onze zoon...