Vol

Wat kun je allemaal doen op één dag, vraag ik me af als ik om 1.15 nog steeds klaarwakker voor me uit lig te kijken. De ochtend ervoor ben ik om 6.05 uit mijn bed gestapt om te gaan werken. Gelukkig zien niet al mijn dagen er zo uit en kan ik meestal heel lekker slapen. De reden dat ik nu nog wakker ben is eigenlijk alleen maar door de energie die ik vanavond heb gekregen van een paar geweldige mensen die bij mij een workshop gedaan hebben. Dus tot zover geen probleem.


Ik overdenk. Ik geef niet alleen zelf workshops maar mag ook met anderen meedoen. Mindfulness. Al heel lang nieuwsgierig naar. Ik ben bang dat ik het niet kan. Ben altijd meteen misselijk als ik op mijn ademhaling moet letten. Beetje raar om zo maar flauw te vallen in zo’n sessie. Dan de drie principes. Bewustzijn van wat je doet, leven in het hier en nu en alles zonder te oordelen. Pfffff. Chapeau voor de cursusleidster, die zeer relaxed en kundig vertelt wat we moeten doen.


Okee ik geef me wel over. Of nou ja, ik probeer het. Ik doe ongelofelijk mijn best om het geluid van de rammelende kopjes in de ruimte achter ons te negeren. Oordeel niet. Nee. Mijn gedachten moeten bij mijn ademhaling blijven maar dat doen ze niet. Ze dwalen af naar mijn werkdag.Het was niet bepaald een ‘piece of cake’ vandaag. Oordeel vooral niet. Blijf bij je ademhaling. Heel even lukt het maar dan denk ik aan mijn carnavalspak, wat voor soep ik zal maken als er zaterdag vrienden komen eten, de zwembroek van mijn zoon die waarschijnlijk al een week nat in zijn zwemtas zit. Terug Jans, en vriendelijk zijn voor jezelf, zonder te oordelen. Zie je wel, verrekkes moeilijk dit.


Om het plaatje compleet te maken plak ik er nog een lesje yoga achteraan. Ik wurm mezelf in de schildpad houding. Best lekker. Dan hoor ik het geluid van scheurend stof. Ik hoef niet rond te kijken waar dat geluid vandaan komt. Het is mijn eigen spijkerbroek. Stukken bil komen niet op de meest voordelige plek naar buiten. Gelukkig zijn de anderen druk bezig met adem halen en merken niet dat ik nu wel een echt schildje zou kunnen gebruiken.


Ik zou dus nu als een roos moeten kunnen slapen. Mis. Mijn hoofd zit nog voller dan toen de avond begon en daar is die niet-bepaald-makkelijke werkdag ook weer. Hoi! Maar daar zijn ook weer de leuke sketches die de dames in mijn workshop even zo maar uit hun mouw hebben geschud.Ik overweeg serieus om schaapjes te gaan tellen maar dan weet ik het. Blijf in het hier en nu, en dat betekent: SLAPEN, NU! Of ik bedoel: Ga maar lekker slapen vrouwke. Er zijn mensen die misschien ook wel een cursusje niet oordelen zouden kunnen gebruiken….ik zeg: eerst maar eens lekker slapen...ZZZZZZZ.


Muntje

“Jippie, vandaag is het hè mama, vandaag gaan we naar de tandarts!” roept onze zoon om 6.05 uur in mijn oor. Als ik niet meteen reageer geeft hij er maar een kus op en gaat dan verder. “Vandaag krijg ik een muntje, toch mama?”. Veel meer dan aaneengesloten medeklinkers kan ik nog niet uitbrengen, want ik slaap eigenlijk nog, maar daar neemt hij geen genoegen mee. “Je moet wel antwoord geven mama, hier versta ik niks van en kom maar eens uit bed want we gaan naar de tandarts”. Het is een teleurstelling dat hij eerst nog gewoon naar school moet.


Als ik hem aan het einde van de dag uit de klas haal, zie ik zijn gespannen koppie. “Succes jongen!”, zegt zijn juf en ik zie dat deze ‘hart onder de riem’ zijn spanning bevestigt. In de wachtkamer maakt hij gelaten allerlei puzzels die bedoeld zijn voor drie-jarigen. Zijn zus, die normaal altijd veruit de rustigste is, heeft bij dit soort gelegenheden een soort ADHD. Ze klimt op de bank om als een kind uit de categorie ‘ik-heb-een-korte-spanningsboog-kan-ik-daar-soms-iets-aan-doen?, tien boeken te gaan lezen.


“Wie wil er eerst?” Vraagt de assistente. “IK!” roept mijn zoon veel te hard en hij zit al in de stoel. Het valt me op hoe lang hij de afgelopen tijd is geworden. En toch is het nog maar een klein manneke in een grote tandartsstoel.  Er zit een nieuwe kies achterin met een groef erin. “Het is geen gaatje hoor, mama heeft goed gepoetst!” zegt de tandarts terwijl ik een vette knipoog krijg. De groef moet wel geseald worden. En dat is niet leuk. Blijkbaar. “Ik vind het zielig, kijk dan!” zegt mijn dochter. Mijn moederhart komt in beweging.Het smelt en breekt tegelijk. “Goed zo, dat doe jij héééél goed grote man!”, zegt de tandarts. Zijn buikje gaat steeds sneller op en neer, hij knijpt zijn handjes tot vuisten.


Trots als een pauw neemt hij het muntje in ontvangst. Dat zijn zus haar hele mond vol klei heeft voor een hockeybitje, wekt weinig gevoel van medelijden op. “Slim hè, dat ik eerst ging. Dan hoef ik niet meer zo lang te wachten tot ik aan de beurt ben!” Even later als hij zijn muntje in de automaat heeft gedaan en dolgelukkig met zijn nieuwe puntenslijper in de auto zit, zegt hij: “Weet je waarom ik geen Au durfde te zeggen?  Dan had ik geen muntje gekregen en dan was ik helemaal voor niks naar de tandarts gegaan.” Hij krijgt een veelbetekenend schouderklopje van zijn grote zus.


Mijn moederhart vult zich met warmte en neemt dan haar oorspronkelijke vorm weer aan. Ik ben niet alleen trots omdat hij niet heeft gehuild en zij dapper, tot twee keer toe, in een homp klei heeft gebeten maar vooral omdat ze weten dat je soms even je tanden op elkaar moet zetten en dat je dan, door alleen ‘AU’ of ‘Getver’ te dénken, net iets verder komt...

Dief

“Juf, mogen wij de dief gaan vangen?” vraagt het jongetje aan mijn stagiaire. Behalve de man die de dakgoot schoonmaakt en een hele bult kleuters is er niemand op de speelplaats te zien. De man, die de dakgoot schoonmaakt, gooit natte bladeren naar beneden en als de kinderen die daar spelen niet uitkijken, zien ze er zo meteen uit alsof ze door de modder hebben gerold maar verder niets bijzonders.


Blijkbaar zien we iets over het hoofd. Opgewonden komt het jongetje even later terug. “Hij doet het weer, hij steelt tennisballen juf!” “Wie??”, vraag ik met deels gespeelde verbazing. “Die meneer daar, op die ladder, die meneer die natte bladeren naar beneden gooit, maar de tennisballen in zijn zak stopt! We gaan hem vangen!!” Tijd om daarop te reageren heb ik niet echt want er komt een meisje huilend naar me toe. Haar hele gezichtje zit vol bloed. Gebotst. Dat moet eerst worden opgelost. En bovendien, natuurlijk stopt die man vast geen vuile, vergeten tennisballen in zijn zak.


Als ik weer terug kom zie ik de benauwde ogen van de man. Aan zijn arm hangen twee jongens. Daarachter nog een sliert kinderen. ‘Oww, de man is een bekende’, is mijn conclusie. “We hebben hem juf!”, zegt er een. “Laat maar los”, brabbelt de man. “Kennen jullie hem?”, vraag ik nog hoopvol. Nee dus! “Ggg..ga maar snel naar jullie juf” , zegt hij nu iets harder maar wel met toenemende paniek in zijn stem. Ze laten hem niet zo maar los. “Dit is dus die dief.” gaat het jongetje onverstoorbaar verder. Tijd voor mij om in te grijpen. “Jongens, laat die meneer eens los!!” Deze keer is de verbazing, die doorklinkt in mijn woorden, niet gespeeld. Ze weten dat ik het meen en laten het slachtoffer gaan.


Hij zet het nog net niet op een lopen, hij moet zijn ladder nog halen. Een beetje beschaamd verzamel ik alle kleuters zodat hij vrij kan bewegen. Maar goed ook want de ladder zwiert gevaarlijk over de speelplaats. Ik weet dat ik het, met wat ik dan ook wil gaan zeggen, niet meer goed kan maken. ‘Het zijn me een stelletje boefjes’ of ‘wat een grappige ventjes hè?’ Naar binnen met de club is het enige wat overblijft.


“Leuke dag gehad?” vraagt zijn vrouw, of misschien wel zijn moeder. “Nee!”, bromt de man. “Ik werd aangevallen door een stel enge, brutale kinderen”. “Maar jongen toch, hoe kwam dat?”. “Ze zeiden dat ik tennisballen had gestolen, maar dat is niet waar! Ik heb er één in mijn zak gestopt maar die was kapot en ook nog heel vies..” Ik denk dat we volgend jaar iemand anders mogen verwelkomen als de dakgoot weer vol bladeren...eh.. tennisballen ligt.


Plassen

Torhout, België. Jaren geleden. Toen Torhout/Werchter nog een dubbelfestival was. Toen je nog kon kiezen tussen ver rijden naar een festivalterrein op een heuvel of een vlak terrein stukken dichterbij. In mijn hand de zojuist verkregen plastuit met ludieke opdruk van een strip van Kamagurka, keurig netjes gevouwen, volgens gebruiksaanwijzing. Aarzelend sluit ik aan bij de zinken goot. Naast mij een hele rij dames, met de slappe lach.Ik ga plassen als een man maar heel erg op mijn gemak voel ik me niet.


Ik rits mijn spijkerbroek open en prop het stukje karton erin. ‘Niet achterover hangen’ heb ik in mijn oren geknoopt. Nee, niet doen. Seconden tikken voorbij en er komt niets. Ik moet echt want ik heb net een plastic beker met Jupiler leeg gedronken. Onverwacht lukt het toch nog. Ik zak door mijn knieën en in een reflex, leun ik achterover. Gevolg: zeiknatte broek, vooral aan de achterkant. Ik had net zo goed rechtstreeks in mijn broek kunnen piesen.

Ik leg me er maar bij neer. Voortaan toch maar weer gewoon boven de bril van een gore Dixi of achter een boompje, in het natte gras.


Dat mannen het op dit gebied een stuk makkelijker hebben weet ik natuurlijk al lang maar sinds mijn zesjarige zoon het staand plassen heeft ontdekt, heb ik daar veel duidelijker beeld en geluid bij. We hebben vakantie en hoewel de winter officieel begonnen is, is er van kou weinig te merken. Mijn lief kan tijdens een lange wandeling in het bos niet wachten tot thuis en ‘moet’ even tegen een boom. Onze zoon ziet zijn kans schoon. Hij moet opeens ook héél erg. “Echt mama, ik kan het niet meer ophouden.”  Aan zijn ondeugende ogen zie ik dat het niet waar is. Waar hij het vandaan heeft weet ik niet, want tot nu toe plaste hij altijd zittend.


“Hou jij mijn appel even vast?” , vraagt hij terwijl hij stoer de knoop van zijn broek openmaakt. “Let op mama! Daar gaat ie.”  Een mengeling van bewondering en ontroering versterkt mijn zwijgen. Ik glimlach alleen. Ik ben onder de indruk van de straal en hij ook. Tot nu toe alleen maar lof. Tot het bijna klaar is. De straal wordt zwakker en verandert in een druppende kraan. Snel probeert hij zich de kunst van het afschudden eigen te maken. Zijn handen, broek en laarzen zijn nat maar dat lijkt hem niets uit te maken. Hij glimt van trots. Dolgelukkig neemt hij zijn appel weer in ontvangst.


Dan denk ik aan het vierjarige jongetje uit mijn klas. “Juf, mag ik echt niet tegen een boompje plassen? Waarom niet? Dat vind ik zo fijn.” “ We hebben binnen toch een wc.” , zeg ik verbaasd maar nu ik het gezicht van mijn zoon heb gezien weet ik dat ik misschien beter iets anders had kunnen zeggen. Het zijn en blijven jongens hè! Toch eens kijken of ik ergens nog zo’n plastuit heb….