Juffie

Als ik thuiskom zie ik iets vies op de mouw van mijn vestje zitten. Het is een lange, witte streep en inmiddels opgedroogd maar ik vrees denk ik dat ik wel weet wat het is, of geweest is. Snot.  Kleutersnot, dat dan wel maar toch niet minder vies. Dit is niet het eerste incident vandaag. Ik dwaal af naar het moment dat ik een stoeltje wil verzetten. Het plakt. Er hangt iets groens aan mijn hand. Ik val uit mijn rol. Juist. Snot. Kleutersnot.


De dag trekt aan mij voorbij. “Juf’, zegt een meisje. “Mijn kleine zusje heeft vandaag voor het eerst een onderbroekje aan, met hartjes! Knap hè?” “Superknap!” , zeg ik, geheel in mijn juffenrol en ben vooral gecharmeerd van de blik van het zusje. Trots. Ze kan de hele wereld aan. “Juffie!” roept een oudste kleuter dwars door het tafereeltje heen. Het is een jongen. “Juffie, weet je wat ik thuis heb? Een kalender met blote dames!” Ik schiet in de lach om het grote contrast maar ook omdat hij blijkbaar al heel goed weet wat hij mooi vindt. Verlies ik toch weer heel even mijn professionele taak uit het oog.


Een uurtje later. Het is een kabaal in de wc-tjes. Gelukkig grenzen die aan ons lokaal. Met tweeënveertig kleuters zijn deze aan de lopende band bezet. Er moeten altijd minstens vier kinderen tegelijk. En naast plassen doen ze ook hele andere dingen. Ja, ik weet ook wel dat de koningin ook wel eens moet poepen maar ik verbaas me over het feit dat ze dat allemaal op school doen en het liefst meerdere keren per dag. “Juf, ik ga even poepen hè!” klinkt regelmatig boven het werkgeluid uit. Prima jongens! Gooi het eruit. Er staat er één met z´n broek op z´n enkels, billen in de lucht.”Heb ik mijn billen zo goed afgeveegd?”, zegt hij met een smile van oor tot oor. Ik ben even te verbaasd om te reageren.


Werkles. Een van de mannen heeft van mijn collega een kralenplank-opdracht gekregen. Niet bepaald iets waar hij warm van wordt. Hij moet een boterham leggen,(met kralen), een echte met twee bogen bovenin. Het interesseert hem geen fluit. (en dat snap ik best)  Hij vindt het oprecht moeilijk. Hij bijt op zijn lip en begint er toch maar aan. Ik laat hem maar even aan tobben. Soms is het gewoon bikkelen. Dat wil ik hem graag bijbrengen. Na een kwartier is hij klaar. Op de kralenplank ligt een bruin vierkant. Ik weet niet of ik moet lachen of eigenlijk ontroerd ben. Briljant om dan maar een casinobrood te maken denk ik.


Omdat het manneke nog steeds niet heel gelukkig kijkt besluit ik om hem te helpen. Samen maken we een echte boterham en daar komt zijn oude vertrouwde glimlach terug. Even later struikelt een net-op-school-iennie-miennie-net-peuter-af over ónze boterham. “Hee!” roept mijn mede-bakker. “Daar heb ik heel hard aan gewerkt hoor!” ‘Ja’ , wil ik roepen. ‘Ik ook!’ maar dat zou niet professioneel zijn. Juf?

Avontuur

‘Bij voldoende structuur kun je met een gerust hart op avontuur.’ Ik kom thuis na een studiedag en de hele dag al achtervolgt deze stelling mij. Het klopt in mijn ogen niet want iemand die op avontuur gaat heeft volgens mij geen behoefte aan structuur.  Ergens in mijn geboortehoroscoop staat dat ik soms behoorlijk (ja ik zie de tegenstrijdigheid ook) avontuurlijk ben ingesteld. ‘Tuurlijk’, zie ik de mensen, die mij een beetje kennen, al denken:, ‘Janske kan ook klimmen’. En natuurlijk mag je je bedenkingen hebben bij een geboortehoroscoop.


Ik ben een eersteklas watje. Dat durf ik best wel toe te geven. Ik val flauw als ik bloed moet laten prikken of een reisprik krijg. Vriendinnen die dan graag een bos bloemen voor mij willen gaan halen zijn wel heel lief maar veel meer dan een half uur stil blijven liggen helpt niet. Ik ben allergisch voor adrenaline en word afgevoerd met een ambulance als ik lavendel heb gegeten. Van hardlopen in de zomer ga ik hyperventileren en vinden mijn schatten mij zowat levenloos terug onder de parasol in de tuin en dan overdrijf ik niet eens, dus ja, ik ben een watje.


Laatst had een van mijn toneelmaten, hij kent me nog niet zo goed maar hij weet nu wel dat ik een zacht ei ben, bedacht dat het wel leuk zou zijn, bij wijze van, ‘jij daagt mij uit, dan ik jou’ terwijl ik eigenlijk helemaal niks ergs had gedaan, om mij even over zijn schouder te gooien en dan heel hard te gaan rond draaien. Mijn ‘stop hou op ik vind het niet meer leuk’ moedigde hem alleen maar aan om nog éven door te gaan. Als hij geweten had dat ik kotsmisselijk uit zijn attractie zou komen had hij zich misschien bedacht. We gaan overigens wel gewoon nog samen het toneel op hoor. Boten, vliegtuigen en reisbussen zijn soms noodzakelijk maar zeker niet mijn lievelings. Dus ja, sorry voor mijn ‘softyness’


Waar ik overigens wel blij van word zijn wiebeltanden. Waar anderen hard wegrennen geniet ik van het eruit trekken van een melktand die er bijna uit valt. Maar ja, dat is natuurlijk nog geen avontuur. Nee. Wat dan wel. Onze nieuwe voorstelling, zeker maar dan vooral omdat ie nog lang niet af is en we nog maar amper twee maanden hebben. Komt goed. Een ding is al weken klaar, opgeslagen in hoofd en in mijn hart. Een lief, klein liedje, gemaakt door mijn peetoom, dat ik helemaal alleen ga zingen. Doodeng en het grootste avontuur. Ik ga het wel doen. ‘Als ik mijn schroom overwin’.


Want mensen die mij nooit als ‘verlegen meisje’ hebben gezien zullen dat misschien niet geloven. Op de basisschool was mijn lef heel ver te zoeken. Maar bij voldoende structuur, kun je met een gerust hart op avontuur. En wat ben ik gelukkig dat toch ook deze stelling weer blijkt te kloppen. Het is maar hoe je er naar kijkt!


(En zou je dit liedje en andere liedjes en sketches (avonturen)  willen horen en zien kom dan op 24 april naar de Kattendans in Bergeijk. www.kattendans.nl wacht niet te lang want het gaat goed met de verkoop :)

Garage

“Oma!”, zegt mijn dochter. Ze zit bij mijn moeder in de auto, een goede locatie om over allerlei dingen na te denken. “Weet je, opa Ruud zegt altijd ‘oowtoo’ dat is toch raar? Het is toch ‘auwtoo’?” Even voor het idee: opa Ruud is mijn schoonvader. (en hij kent deze discussie) Mijn moeder glimlacht en zegt: “Tja, sommige mensen zeggen nou eenmaal ‘oowtoo’, ik weet ook niet waarom.”


Ik weet het ook niet. ‘Oowtoo’ doet vermoeden dat mijn schoonvader heel deftig is of in een villa woont.Beiden zijn niet waar maar als oud-huisarts (ja, ik mag dit zeggen, dat doet hij zelf ook.) heb je natuurlijk wel een bepaald aanzien.Toch denk ik niet dat dat het is.


Het antwoord komt vanzelf naar me toe, zoals altijd. Met een uitgestreken gezicht staat de zoon van hierboven genoemde schoonvader in de tuin. “Ik wil mijn fiets uit de garage halen”, zegt hij “maar dat gaat gewoon niet met al die troep erin en van wie zijn al die andere fietsen, we zijn toch maar met z’n vieren?” Het begrip ‘garage’ doet vermoeden dat het een gebouw is waar minstens ook een ‘oowtoo’ in kan maar het hok van twee bij drie kan nauwelijks vier fietsen aan.


Het zijn niet de fietsen. Het zijn de winterbanden op voet, de barbecue, de slee, de ingeklapte tuintafel, de nauwelijks gebruikte kindertraktor, de skippybal, de stepjes, de duizend bloempotten, verfblikken, beschimmelde tent, tenminste dat denk ik, want ooit nat opgeruimd en nooit meer eruit gehaald, het lekke zwembadje, de parasol, de tuinkussens, het tuingereedschap, de dozen met oud papier, de vuilniszak met plastic afval, en de lege flessen. En dan is er  natuurlijk nog-het-keurig-gerangschikte-gereedschap, meer doos dan inhoud.


“Mag ik iets lekkers uit de kelder?”, vraagt mijn zoon. Nee precies, er zit echt geen trap in hoor en voorraadkast zou zeker een beter woord zijn.Er ligt wel zoveel voorraad in dat het in een kelder niet zou misstaan. Het is erfelijk zo te zien. Groots denken. Als je maar vaak genoeg zegt dat het een garage is dan wordt het vanzelf een garage, voor wel tien fietsen  én een auto. Vrij vertaald betekent het zoiets als: Maak je dromen waar, als je echt iets heel graag wil dan lukt het ook.


Gelukkig met dit inzicht loop ik het washok binnen, of nee wacht...het kledingmagazijn. Ik heb me laten vertellen dat ik nogal wat verkleedkleren heb (ook wel ‘aankleedkleren’ genoemd) en natuurlijk ga ik die echt niet allemaal gebruiken maar je weet maar nooit. Denk groots heb ik zojuist van mijn mannelijke familieleden geleerd. Als vanzelf denk ik aan mijn eigen vader. Zijn verzamelwoede begint onoverzienbare vormen aan te nemen maar ik snap nu veel beter waarom. Denk groots. Denk garage. Verzamel moois om je heen. En stap vooral in de ‘oowtoo’ als je daar zin in hebt!