Ei

Ei


“Luste dan een lekker krentenbolleke mee ei?”, vraagt mijn oma terwijl ze er een voor mijn neus houdt. Ik ben dertien jaar, ik zit langs de kant van de weg en ben kotsmisselijk. We zijn een dagje uit maar ik kan niet lopen van de buikkrampen die je blijkbaar maandelijks mag krijgen omdat je Ei niet bevrucht is. Nou is de combinatie van een krentenbol met een gebakken ei op zich al best bijzonder maar geloof me, op zo’n moment echt niet te doen. Lief bedoeld, dat zeker, en ook al is ze al zeventien jaar dood, de opmerking komt nog regelmatig voorbij als iemand van de familie zich niet helemaal top voelt.


Wat een raar voedsel is een ei trouwens, als je erover nadenkt. Een onbevrucht ei van een vogel. Zij zal er geen buikkrampen van krijgen maar wie zegt dat ze het zelf niet wil gebruiken. Wij maken het op allerlei manieren warm en eten het op.


Paaslunch op school. Alle kinderen krijgen een (koud) gekookt ei. Een aantal pitsers begint bij voorbaat al te roepen: “Dè lus ik nie!” Dat mogen ze niet. “Het kan zijn dat je dat niet zo lekker vindt”, hoor ik mezelf pedagogisch zeggen, “maar dan neem je het mee naar huis.” Vervolgens krijgen we de serie “Dit ei is niet meer goed, het stinkt en het is helemaal groen.” “Dat hoort zo met Pasen”, zeg ik en weet daarmee een klein aantal te overtuigen. En dan zijn er nog de ‘die-hards’. Die eten hun eigen ei en de resten van het ei van hun buren met smaak op. “Jezus is dood geworden en over een paar dagen staat hij weer op dus daarom eten wij een ei.”, roept er nog een terwijl  ik het ei in zijn mond rond zie gaan.


Vrijdagochtend. Goede vrijdag. Onze dochter en zoon maken een paasontbijt om mee naar school te nemen. Mijn dochter wil graag een gekleurd gekookt ei..fixen we nog even. “Ik lust geen koud gekookt ei” , zegt mijn zoon. “Ik wil vier eieren en dan prakken en dan met mayonaise met een lepeltje erbij.” Ik kan hem er niet van overtuigen dat dat ook koud, gekookt ei is. Als hij vindt van niet, dan is het ook niet. Verder kan ik zeggen wat ik wil over iets waar hij zijn eiersalade op moet smeren. “Neehee”, zegt hij, “dat hoeft niet mama, ik eet dat gewoon op met een lepeltje, alsof het een toetje is.” Zucht.


Als ik ze naar school heb gebracht hoor ik op de radio iemand mauwen over de omstandigheden van legkippen. Erg zielig ja maar ik wil het niet horen, en ik wil het niet zien. Ik wil daar niet aan denken als ik in het weekend aan mijn warm, hard gekookt eitje, dat vooraf geen enkele barst mag vertonen, zit. Kop in het zand bij het idee dat daar óók een kuikentje in had kunnen zitten. Fijne paasdagen allemaal.. Geniet van je ei!




Voetbalplaatjes

“Een kwartier hè! Een kwartier moesten we blijven!”, zegt onze achtjarige dochter. Haar grote ogen kijken zeer verontwaardigd. “Sorry dat ik het zeg hoor maar ik haat voetbalplaatjes.” Alsof ze het woord proeft. Ze gebruikt het nooit hardop maar het lijkt alsof er nu geen ander woord mogelijk is. “Daar heb ik echt niks mee te maken hoor.”


Blijkbaar heeft iemand voetbalplaatjes uit de la van de juf gejat. Dilemma. Ik begrijp heel goed dat de juf tot op de bodem wil uitzoeken wie de dader is maar ik weet ook dat mijn meiske niet bij de verdachten hoort.


De boosdoener blijkt er een uit een hogere groep. “Zo’n stoere jongen.” , zegt mijn dochter. Naast gespeelde afschuw hoor ik iets van bewondering in haar stem. Hoewel ik het ventje niet ken, heb ik meteen beeld. Iets waarvan je hoopt dat je kindje er over een tijdje niet mee thuis gaat komen. Patserig kereltje. Denkt dat de hele wereld aan z’n voeten ligt. Grote mond, harde stem, onverschillige blik.


Dan denk ik aan mijn eigen zoon en het voorval van een paar weken geleden. Onze zoon die niets met voetbal heeft, haalt een fortuin uit zijn spaarpot om twee tweedehands voetbalplaatjes te financieren. Zonder overleg. Het interesseert hem echt geen bal wie er op die plaatjes staan, want hij weet bij god niet wie het zijn maar hij heet al wel begrepen dat er ‘goeie’ en ‘slechte’ zijn en natuurlijk wil hij niet onderdoen voor zijn vrienden. Pijn in mijn hart, alleen al bij het idee dat hij zich zou kunnen laten verleiden tot het stelen van wat dan ook, uit de la van de juf, om erbij te horen!


Zaterdagochtend. Hij kleurt, onze zoon. Met zijn tong door het gat in zijn mond, waar ooit twee voortanden moeten komen, zit hij zijn stinkende best te doen op een paasmandje. Als ik hem vraag wat voor soep ik vandaag zal maken is het zijn beurt om verontwaardigd te reageren. “Mama, ik ben aan het kleuren, dat zie je toch! Dan kan ik echt niet ook nog nadenken wat voor soep ik wil...over een paar uur!” Hij meent het en ik besef hoe groot het verschil tussen jongens en meisjes is. Ze kunnen écht maar één ding tegelijk die mannen.


De beste voetballer in bezit hebben is dus van groot belang. Op school zijn er gewoon teveel juffen die zich op een vrouwenmanier zorgen maken om gestolen voetbalplaatjes (ja natuurlijk doe ik dat zelf ook). Het tekort aan meesters wordt maar weer eens pijnlijk duidelijk. Haantjes vragen om mannelijkheid. En die teveel juffen misschien ook wel. Dus kom maar op met die ‘male teachers’. En zo lang onze kereltjes af en toe paasmandjes kleuren zullen ze later zeker bemind worden door hun tevreden vrouwtjes, die het echt wel prima vinden dat ze zelf mogen kiezen welke soep ze gaan maken.

Vakantieplannen

“Mama, weet je wat ik in de zomervakantie wil? Naar zo’n hotelletje met een grote eetzaal waar je alles zelf mag pakken en precies wat je zelf wil”, zegt onze zesjarige zoon dromerig. “Ik bedoel met die pasta en friet en honderd toetjes en van die gekleurde vierkante blokjes, die een beetje op blubber lijken”. De vakantie, vorige herfstvakantie met het gezin van mijn zus en onze ouders was er een van heerlijk niks doen en mooie plekjes bezoeken en het gewoon aanschuiven in een enorme, met tl-verlichte zaal. Wel heel gemakkelijk en prima te eten maar toch denk ik met lichte gene terug aan iets wat voor onze kinderen een paradijselijk vertoeven is.


Onze pols verplicht geringd met een bandje dat je vooraf op de groei moet laten afstellen. “Doet ‘m maar een gaatje losser” , hoor ik mijn moeder, van de zenuwen, nog roepen tegen de Portugese receptiemedewerkster. Echt verbergen kun je die bandjes ook niet met 35 graden. Acht dagen lang kijk ik mijn ogen uit. Ik kan er een avondvullende voorstelling over maken. Eigenlijk heb ik geen tijd om te eten. Naast ons zit een kind, met een enorm hoofd, onverschillig, en met open mond, de decoratie van het buffet op te vreten.


We zijn een weekendje weg. Hotelovernachting met ontbijt. Als grote mensen lopen onze kinderen ervaren met hun bordje langs de broodjes, de jam, de gekookte eitjes en de ‘chips voor in de yoghurt’ “Dit bedoel ik!” roept onze zoon keihard, terwijl hij zorgvuldig zijn broodjes kiest. “Een restaurantje waar je zelf kunt kiezen.” Waar zal hij dat croissantje nou nog eens laten. En er moet nog jam op. Geen voorverpakte mini-jammetjes deze keer maar grote weckpotten met lepels. Natuurlijk ziet hij de schaaltjes waar de jam in moet niet. Vakkundig zet hij zijn bord op de rand van het buffet. De klodder jam glijdt via het croissantje op zijn komkommers. Voor ik het kan voorkomen stopt hij de lepel in zijn mond. “De pot is toch bijna leeg”, zegt hij voldaan. Hij is zich van geen kwaad bewust. Ik hoop van harte dat er niemand naar de hotelmanager is gegaan om te klagen over onfatsoenlijke gasten.


Terug op de kamer neemt hij zijn taak serieus. Hij vouwt zijn pyjama netjes op en legt die, samen met Fredje, zijn knuffel die overal mee naartoe gaat, in zijn koffer. Dan maakt hij zijn bed op, of zijn leven er vanaf hangt. Thuis doet hij dat nooit maar blijkbaar heeft hij het gevoel dat dat van hem verwacht wordt. Zonder dat ik erom vraag kijkt hij onder het bed. Ai. Erfelijk. Ik moet kijken ook al weet ik zeker dat er niks ligt.


Zomer 2016. All inclusive, maar er knelt geen bandje om onze pols. Wij maken ons eigen buffetje. Wij maken onze eigen bedjes op. Waar weten we nog niet.  Af en toe mogen ze helemaal zelf kiezen wat ze willen eten. Fredje is er in ieder geval al helemaal klaar voor.



Bekeuring

Maandagochtend 7.00 uur. De stem van Frans Bouwer klinkt door de slaapkamer van, ik denk dat hij Herman heet of Wilco. Zijn vrouw, zou ze Nellie heten? Zijn vrouw wordt nou eenmaal het lekkerst wakker met 100% NL. Dit gaat zijn week worden. Een belangrijke taak wacht op hem. Zijn zwarte jas, met vaag wit embleem hangt al klaar. Hij steekt zijn voeten in de stevige, zwarte stappers. Klaar voor de start.


Dinsdagmiddag 13.20 uur. Aan mijn ene hand mijn zoon, aan de andere hand mijn dochter. We lopen, zoals bijna altijd naar school. Aan de overkant van de straat paradeert een man. Een man in een zwarte jas met vaag wit embleem. Ik wed dat zijn vrouw dat erop genaaid heeft. Zwarte broek en degelijke honingdropschoenen. Half kale kop. Hij lijkt op een reiger, maar dan dik. Hij is al boos voordat hij begonnen is. De lat ligt hoog.


Woensdagochtend 8.00 uur. “As gij vandaag niemand op de bon slingert dan hoefde nie meer thuis te komme!”, zegt Nellie tegen Wilco. Nog gemotiveerder om een grote vis te vangen gaat hij naar zijn locatie. Het regent dat het giet. Zijn opschrijfboekje brandt in zijn zak. Daar komt een mogelijk slachtoffer. Parkeert ze nou op de stoep? Ja, ze doet het! Stapt ze uit? Ze aarzelt. Ja? Jaaaa! Haastig haalt hij zijn boekje tevoorschijn. Hij schrijft alsof zijn leven er vanaf hangt. ‘Daar komt ze alweer aan, kijk haar nou toch rennen maar het is te laat.’ denkt Wilco met een valse glimlach op zijn gezicht. “Is deze auto van u?”, zegt hij nors. “Asteblieft”, snauwt hij er achteraan. Geen spoortje begrip of vriendelijkheid.


Als een geslagen hond zit ik met het doorweekte, gele briefje in de auto. Het voelt compleet oneerlijk. Dit is een hele dure minuut geweest. Negentig Euro kost deze triomf voor meneer de bonnenschrijver. Alsof ik iets mega-misdadigs heb gedaan. Ik vind het een totaal absurd bedrag. Natuurlijk mag het niet, op de stoep parkeren maar Wilco had het best een beetje anders aan kunnen pakken. Bij programma’s als wegmisbruikers zijn die agenten altijd super aardig tegen de grootste criminelen en ik ga één keer met de auto naar school, zet hem één keer heel even op de stoep (omdat ik het niet over mijn moederhart kan verkrijgen ze, zonder tas, en zonder zwaaien naar school te laten gaan) en ik krijg meteen de volle laag. Dat steekt misschien nog wel het meest.


Don’t shoot the messenger. I know. But the messenger doesn’t have to shoot the victim either. Een beetje vriendelijkheid mag best. Ik kan er toch ook niks aan doen Wilco, dat jij thuis met zo’n chagrijnige Nellie zit opgescheept!