Moet jij nog veel?

Iets meer dan een jaar geleden. Opeens zijn we met z’n vijven. Niet lang want we willen door. Al gauw toch weer zes of nee eh..zesenhalf..of toch zeven. Nee zes. Voor even, want zes wordt snel genoeg weer zesenhalf. Omstandigheden van alle kanten maar ergens zit iets wat ons bij elkaar houdt.


Iedereen moet nog veel. Altijd. Bij mij ziet dat eruit als al append de was ophangen, rapporten schrijven, lessen voorbereiden, de kinderen uit school halen, teksten schrijven, teksten uit mijn hoofd leren, al veel te lang geen wijn meer gedronken met vriendinnen (maar dat komt binnenkort goed), raad geven, kijken hoeveel kaartjes er al verkocht zijn (en dat zijn er al best veel,zaal ziet er in ieder geval vol uit), workshops voorbereiden, zwemles, hockeyveld,  nieuwe dingen verzinnen, repeteren, naar zwemles, Zumba, boodschappen doen, kopiëren...kopiëren?? Als we nou eens een echt kopieerapparaat op het podium zetten..


Idee voor de tweede voorstelling is geboren. Nieuwe titel ook. Idee zo ongeveer alleen maar nieuwe sketches te gebruiken dus ook. Dan moet je nog wel veel ja. Maar het is ons gelukt en ik kan niet vaak genoeg zeggen dat ik heel erg trots ben op ons allemaal. Over een week is het gewoon al 24 april en dan gaan we ervoor. Tevreden zijn we nog lang niet. Nog veel te veel bezig met: is het wel goed genoeg? Wat hebben we allemaal nodig en hoe krijgen we in godsnaam dat kopieerapparaat op de plaats van bestemming.


Zondag 24 april. Van 12.00 tot 20.00 de tijd om alles te regelen met de techniek. Ik stap in de auto met een hoog-hyper-gevoel. Ik weet het antwoord en toch vraag ik me af waarom ik misselijk ben. Ik moet chocola en cola.Ik moet uit baldadigheid van alles roepen, alsof ik op kamp ga of zo. Ik ben degene die opeens niet meer weet welke scènes er voor en na de pauze komen. Ik denk ook dat ik al mijn teksten vergeten ben en ik krijg zweethanden en de zenuwen voor het liedje dat ik eindelijk voor publiek mag gaan zingen.


17.30 uur. Nu moeten we friet. Op één na. Een van onze mannelijke spelers kan niet spelen met friet op (ik noem uiteraard geen namen). Wedden dat hij toch friet gaat eten...Nog ruim twee uur te gaan. Nog tijd zat om de nu-echt-opkomende-zenuwen wat weg te lachen. Eenheid wordt nog sterker.


19.50 uur. Het geroezemoes (wie heeft dit woord bedacht?) in de zaal geeft aan dat het bijna echt echt is. Waarom wilde ik dit ook alweer? Het is doodeng. Elke keer weer. Vaste prik, aan de linkerkant. op. Laatste keer oogcontact. Hart in mijn keel. Eenheid compleet. 20.02 uur. De muziek start. Langzaam vindt mijn hart zijn normale ritme terug. Go for it! Enjoy! A(lle) D(agen) (H)eel B(lij) met jullie. En wat een geluk dat wij nog zoveel moeten!




Onbekend

Als ik thuis kom van de repetitie hoor ik mijn zoon heel hard huilen. Hij zit in kleermakerszit op zijn kussen. Het lijkt of hij nog half slaapt. Dikke tranen vallen op zijn blote voeten. “Ik mis jou zo!”, zegt hij terwijl hij nog harder begint te snikken. “Maar ik ben bij je schatje!”, zeg ik als ik hem op mijn schoot trek. “Dat weet ik wel maar het komt omdat je zo’n lieve moeder bent!!” Hij is nog niet van plan om te stoppen met huilen. Mijn hart krimpt in elkaar. Van geluk maar ik word er ook een beetje verdrietig van. Hij noemt mij nooit moeder, altijd mama maar het heeft wel iets heel gewichtigs.


Het is een spannende week. En goed slapen is, altijd al maar nu helemaal, een opgave voor het manneke. Hij mag naar Mad Science, proefjes doen, na schooltijd, superleuk maar wel weer iets onbekends. Én zijn opa wordt aan zijn hart geopereerd. Onze dochter zal daar geen minuut minder om slapen maar zit tijdens het eten opeens wel met een treurig gezicht bij mij op schoot. Ze wordt groot, mijn achtjarig meisje. “Ik wil gewoon niet dat opa doodgaat”, zegt ze boos. “Nee, dat willen we zeker niet”, zeg ik en ik wil niet nadenken over wat we niet weten.


Op mijn schoot zit een huilende kleuter. Ik ben op school en hij ook, voor het eerst. Hij is niet blij, wil daar niet zijn. Hij knijpt in mijn hand. Ik zing met de klas tot hij iets rustiger lijkt. Het kost wat maar opeens is hij om. Pakt een bak met blokken en begint te bouwen. Het onbekende is eraf. Grote glimlach op zijn gezicht. Als hij naar huis gaat, krijg ik een knuffel.


Donderdagavond. Etenstijd. Mijn zoon heeft zijn eerste lesje Mad Science erop zitten dus daar is de spanning ook vanaf. Operatie van opa geslaagd trouwens. Tijd voor een rustig nachtje denk ik. Toch hoor ik hem in de verte heel hard huilen. Mijn vader heeft hem opgehaald. Ik kan me niet voorstellen dat hij het zo niet-naar-zijn-zin heeft gehad. Voor zijn ogen zit een soort van plastic blinddoek. Op zijn neus een scheikunde-achtige- wasknijper en op zijn lip een grote bult. “Heb ik bloed?”, zegt hij snikkend. Hij is met zijn blinddoek tegen een autospiegel opgelopen. “Opa waarom laat je mij dit doen?” Tuurlijk krijgt mijn vader de schuld. Het is maar goed dat hij hem, zijn bijna- evenbeeld, zo goed begrijpt.


Nu ik er zo bij stil sta heb ik deze week heel wat soorten tranen gezien.Thuis, op school en onderweg. Het zeerst doen de tranen om dat wat onbekend is. Niet weten wat er gaat komen. Pas als je begrijpt dat onbekend soms ook onverwacht kan worden, dat het niet altijd is wat het lijkt te zijn, doet het minder zeer.Tranen blijven binnen of komen soms, heel stiekem, als niemand kijkt, naar buiten. Ik heb jullie lief.