Un(happy) meal

Druilerige zondagmiddag en bezoekje aan overgrootoma doen ons iets ongewoons besluiten. Het is niet eens een guilty pleasure, eerder een guilty-af-en-toe-moet-je-ergens aan toegeven, en het liefst zou ik er vermomd naar binnen gaan. Als onze kinderen er twee keer in hun leven binnen zijn geweest is het veel maar toch kennen ze het concept alsof ze er wekelijks te vinden zijn. Die grote gele letter heeft zijn werk keurig gedaan.


We zeggen niets en rijden er gewoon naartoe. Kijken wat ze doen. “Wow, YES!” zegt onze zoon als hij doorheeft wat er gaat komen. “Nu krijg ik een plofkipje, dat heb ik op tv gezien!” Onze dochter kiest vastberaden haar menu uit de vier vakjes. Zij heeft geen last van keuzestress. Onze zoon eigenlijk ook niet maar hij wordt overspoeld met mogelijkheden waardoor hij tomaatjes kiest in plaats van friet. Maakt hem niets uit. De verkoopster, die aan de trainingskassa staat en nog moet leren dat er blijkbaar overal sausjes bij moeten, kijkt hem verbaasd aan. “Wil jij TOMAATJES in plaats van friet?” zegt ze. “Je bent niet goed wijs!”, slikt ze nog net in.


“AHHHHH schattig.” , zegt onze dochter als ze een wit fifi-hondje met een roze strikje uit haar Happy Meal doos haalt. Ze drinkt een slok uit haar flesje chocomel (lekker met friet) maar houdt het iets te scheef waardoor haar lichtblauwe zomerbroek, op kruishoogte, helemaal vol zit met bruine vlekken. Nog steeds kijkt ze verliefd naar haar fifi-hondje. Onze zoon maakt gauw, en vol verwachting, zijn BOX open. Zijn gezicht betrekt als hij hetzelfde hondje, met roze strik tevoorschijn haalt. “Dit is voor meisjes”, zegt hij, die krijgt Anna wel, wat krijg ik?” Hij moet van ons blij zijn met wat hij krijgt meestal lukt hem dat ook wel.


“Ik ben niet blij”, zegt hij met tranen in zijn ogen maar hij mag van ons niet gaan huilen. “Ik zou een plofkipje krijgen, dat heb ik op de tv gezien, en nu heb ik een meisjeshond.” En bedankt stichting Wakker Dier. Zo zie je maar dat actie voeren niet altijd persé helpt. Jullie maken zo juist reclame voor de grote gele M en bovendien scheppen jullie verwachtingen bij kleine kinderen, dat is pas zielig.


In de auto ontdoet onze dochter het hondje van zijn inpakplastic en begint een rollenspel. Zoonlief zit met het ingepakte ding op schoot maar weigert het open te maken. Hij is het er nog steeds niet mee eens. “Zal ik thuis het roze strikje eraf knippen?” probeer ik in een poging er toch nog een happy meal van te maken. “Nee.” , dat wil hij ook niet. Als ik thuis, ter compensatie  een bakje kwark met honing zit op te eten kruipt mijn zoon naast me op de bank. “Best een schattig hondje hè mama?” zegt hij en ik zie dat zijn teleurstelling heeft plaats gemaakt voor plezier. “Heel schattig”, zeg ik en ik probeer me voor te stellen hoe het pluchen plofkipje eruit gezien zou hebben.




Grow (in the dark)

Je kunt je bij deze titel allerlei foute voorstellingen maken maar dat hoeft niet. Je kunt bij deze titel denken aan iets wat er op lijkt, Glow (in the dark), maar dat is het ook niet. (Zie nu wel mijn kleine zusje voor me, jaren geleden, huilend, omdat haar zojuist van Sinterklaas gekregen glow-in-the-dark-diertje, met gesmolten poot tegen de schemerlamp van oma aan geplakt zit).


Het is voor kinderen, maar ik weet zeker dat er ook volwassenen zijn die hier opgewonden van raken. Het hoeft eigenlijk niet per se in het donker maar juist dan lijkt het te gebeuren. We hebben er nu vier in huis, allen gekregen, laat ik dat voorop stellen. Het zal dus wel hip zijn. Een heeft zijn weg terug al gemaakt. Verschrompeld als een bejaarde kijkt de Dino me, een beetje verwijtend aan. Alsof ik er iets aan kan doen dat hij er zo bij loopt. Naast de Triceratops hebben we nog twee krokodillen en een dolfijn. De dolfijn bevindt zich in de badkamer in een emmer water, de ene krokodil ligt te drogen op het aanrecht en de andere zit in een monsterlijke reageerbuis met vergrotend glas.


Waar ik over zeur? Als ze uit de verpakking komen lijkt er niets aan de hand. Hun formaat is overzichtelijk en hun blik slechts licht angstaanjagend. Hun huid is wat je ervan verwacht: hard en stekelig en de dolfijn gewoon lekker glad. Als ze in het water liggen, gaat het ook nog, hoewel ik me ‘s morgens te pletter schrik van de grote dolfijn, die niet meer in de emmer past. Het venijn zit hem in de staart. Niet van die beesten maar van het hele proces. Tijdens het groeien, geven ze af. Geen verf, of huid maar slijm. Ongelofelijk smerig slijm. Kinderen zijn kinderen en ze laten ze heus niet de hele tijd in het water liggen. Ze moeten er, ter vergelijking, ook uit. Al druppend en slijmend, zien ze het hele huis.


Kinderen zijn kinderen en die willen meer. “Mama, mogen wij een gummibeertje in een glas water doen?” “Geen gebras” , wil ik al roepen maar een stemmetje in mijn hoofd zegt: “Doe niet zo flauw, laat ze toch.” “Een nachtje laten staan en je hebt een reuzenbeer, echt heel leuk, mag het mama?” De volgende ochtend, als ik beneden kom word ik aangestaard door een bonk doorzichtige gelatine, die ooit een vrolijk rood gummibeertje was. “Er is niet veel meer van over, hè mama?” , zegt mijn zoon troostend, zelf totaal niet teleurgesteld. Ik vind het bijna zielig maar dat slaat natuurlijk nergens op, dus spoel ik de substantie door de gootsteen en pur het laatste stukje drillende beer met mijn vinger door het gaatje.


“Alle dieren uit het water nu!”, roep ik kordaat.Ik heb het gehad met die slijmballen. Tijd voor uitdroging. Krimp. ( in the dark…)

Camping (2)

In het straatje van onze huurtent staan er negen. Aan de ene kant vier en aan de andere kant vijf. Allen gevuld met Nederlanders.Nederlanders met kinderen en daar worden onze kinderen (en wij dus daarom ook) heel gelukkig van. Je hoeft niet heel goed te kunnen ver-springen om bij de buren binnen te komen. Even het beeld van onze privacy bijstellen. Om ons heen allerlei soorten mensen. En ook om de paar dagen nieuwe. Genoeg te zien dus.


Zo is daar het gezin uit Twente. Twee zoons. Hij: zwijgt vooral en met beginnende bierbuik. Zij: kort praktisch kapsel en grote rugzak als ze erop uit gaan. Het Westen is goed vertegenwoordigd. Hoe harder de ‘G’ hoe zachter de mijne wordt en hoe meer ik mezelf toch wel écht Brabants hoor praten. Dan hebben we nog de ANWB-family. Windjacks in schutkleuren en wandelschoenen voor iedereen. Natuurlijk loopt het fijn, maar het ziet er toch niet uit!


Als we even weg zijn geweest zie ik dat we nieuwe overburen hebben. Ik pak snel mijn puzzelboekje, dat slechts als dekmantel dient, want ik vul geen letter in. Ik doe alsof ik heel hard nadenk. “Nou ik ken niet op vakantie zonder pindakaas!” zegt de man met Utrechts accent, terwijl hij in de lucht zijn broodje opensnijdt, tegen zijn joviale stadsgenoot, een gescheiden man met zoon en weer-of-geen-weer-korte-broek en Adidas badslippers. Met groot gemak verandert hij steeds van onderwerp en ik hoor allerlei dingen die ik helemaal niet wil horen. Nu weet ik dat zijn zoon, van veertien, last heeft van erectieproblemen, en dat hij, net zoals zijn zoon(met pijn), er vier keer per nacht een heeft…


Maar het kan erger. Tegen het einde van ons verblijf krijg ik al kippenvel in mijn nek als ik de turquoise Crock als uit de auto zie steken. De Crock zit vast aan een dik been en het dikke been behoort toe aan een grote, zeg maar gerust, moddervette vrouw. Haar man is, als een soort compensatie, zo dun dat je hem iets te eten zou willen aanbieden. Ik denk dat zij onderweg al zijn broodjes met omelet heeft opgegeten. Haar kapsel is een beetje autoritair, asymmetrisch. Ze hebben allebei dezelfde joggingbroek aan. Ze hebben één kind, met rood haar (van de melkboer?). Hij haalt de Uniseks fietsen van de auto en zet ze tegen de tent. Zij, met geïrriteerde blik, verzet ze. Dan gaat de achterklep open. Ze hebben voor het prinsje meer speelgoed meegebracht dan wij thuis in de kast hebben. Een bak met LEGO, een bak met Duplo, een complete bowlingbaan, meer dan twintig spellen en puzzels, een opblaaskrokodil en een loopfiets worden door papa met blik op oneindig uit de auto getild. Begrijp me niet verkeerd, ik geniet!


Er zit nu vast niemand thuis een verhaal te maken over ons. Dan doe ik het zelf wel. Die Brabo’s met te dikke truien. Zij: heeft een puzzelboekje en erger nog: ze drinkt bier! Hij: Is veel jonger dan zij en moet steeds de afwas doen. En wat zit ze eigenlijk allemaal op te schrijven steeds?...