Taxi

Carnaval, jaren geleden: “Hedde gij lege banden?”, vraagt de beschonken medepassagier aan bestuurder van het taxibusje. De auto is met een bonk over een drempel geknald. “Hoezo, moette gij nog iets opnemen dan?” roept iemand anders er overheen. De chauffeur mist de grap en ik snap ook wel dat dit een geval is van ‘daar had je bij moeten zijn’ maar toen was het, met bier op, erg grappig. De chauffeur begint over iets anders te praten. Of praten, zeveren.


Carnaval 2017. Na een lange avond met mijn trouwe carnavalsmaat is het tijd voor een taxi. Die er niet is. Er staat er wel een, maar die is natuurlijk niet voor ons. De mevrouw die de auto bestuurt, neemt haar taak serieus. Ze heeft een lichtblauwe bril op maar ik twijfel een beetje of die uit de verkleedkist is gekomen. “Ken ik dadelijk nog een ritje tussendoor naar Dommelen doen?” roept ze tegen de centrale. Het ziet er naar uit dat we geluk gaan hebben.


In mijn ooghoek zie ik een clown zwalkend op ons afkomen. “Can you bring me to Vught?” vraagt hij met dubbele tong. “No I can not, too busy, I first have to bring these en then I have to go come back for dees two dames. En that are very much kilometers dus that will be very expensive. Ik think eighty tot hunderd Juuroos” Dat is teveel voor de clown en hij druipt af. Tien minuten later is de mevrouw met de blauwe bril keurig terug.


Als twee onnozelen stappen mijn zusje en ik allebei achterin de auto. We vinden het leuker naast elkaar en hebben allebei niet zo’n zin om voorin te zitten. Als ik daar zit (en ik heb gedronken),kan ik me niet inhouden. Moet ik vragen: ‘Loopt de meter ook door als je stilstaat bij het stoplicht?’ Slaat nergens op, weet ik, maar het is zo leuk om te doen. Dan krijgen we het verlossende antwoord over de bril. “Ja, ik ben dus niet verkleed hè.”, zegt ze verontschuldigend, alsof we er om gevraagd hebben. “Ik heb ook zakelijke ritten, ik moet ook mensen naar huis brengen die gewoon zijn gaan uit eten. En die zitten dus niet te wachten op dat soort toestanden. En normaliter gesproken ga ik me dan tussendoor steeds omkleden maar die tijd heb ik gehad.”


Het valt helemaal stil op de achterbank, waar we elkaar nog onnozeler aankijken. Dat kost ook een heleboel Juuroos, tijdverlies door omkleden. Ik weet dat we allebei hetzelfde voor ons zien. Liggend in haar taxi, kleedt ze zich steeds om, van zakelijk naar feest en terug. “Gullie het heul veul geluk gehad!”, zegt ze dan. “Da ik jullie er efkes tussendoor kon doen. Anders hadde gullie nog heul lang kunnen wachten.” Dankjewel mevrouw met de blauwe bril. Jij hebt ook best een beetje geluk gehad met ons. Twee naast elkaar zittende, niet veeleisende dames. Volgende keer een leuk carnavalspakje aan?







Eten

“Als je een kersenpit eet, en je jokt, dan groeit er een boom in je mond.”, zegt een kleuter terwijl hij tergend langzaam een ontpitte kers, uit een potje, in zijn mond stopt. Deze kleine filosoof houdt meer van praten dan van eten en dan is dit nog maar het fruit. Laat staan dat hij twee broodjes naar binnen moet werken binnen een minuut of twintig.


Nu ik van een afstand naar het eetgedrag van mijn vele kleuters zit te kijken denk ik: ‘wat een raar gebeuren is dit’. Elke dag opnieuw stoppen we dingen in onze mond om in leven te blijven. Allemaal verschillende dingen. Het liefst wel een beetje gezond. En om dat gezellig te maken gaan we daarbij ook nog samen aan een tafel zitten. Kunnen we ondertussen nog wat kletsen, maar niet te veel en ook niet als je je mond al vol hebt zitten met eten.


Daar kijken ze hier niet naar, of hun mond al vol zit of niet. Ze eten en praten tegelijk. Of ze eten niet omdat ze bezig zijn met de lunch van een ander. “Juf, hij heeft zijn boterham in de prullenbak gegooid omdat er iets vies op zat.” “Juf, hij lust zijn ei niet (nee, dat snap ik want er zitten ondefinieerbare bruine strepen op) en nou eet ik het maar op want anders mag hij dadelijk niet naar buiten.” “Juf…” Opeens hoor ik achter me een geluid wat ik al heel vaak heb gehoord. Ik sta oog in oog met iemand die ik niet meer herken. Zijn bril zit vol chocomel, het kan niet zo zijn dat hij nog iets ziet. De druppels vallen een voor een op zijn trui. “Mijn beker is omgevallen”, zegt hij. Ja, dat zie ik maar bedankt voor de info.


Dan pas zie ik de schade. Straaltjes chocomel druipen via de witte kastdeur naar beneden. De witte kastdeur waarachter netjes alle rapportmappen op een rijtje staan. Rapportmappen met kersverse verslagen die binnenkort mee naar huis gaan. Ouders maak je geen zorgen. De schade is beperkt.Terug naar het ritueel. Met zijn tong uit zijn mond en zo goed en zo kwaad als het kan, smeert het slachtoffer, met een geel doekje, het bruine goedje uit over de vloer. “Dat doe ik best goed hè juf?”, zegt hij zelfverzekerd.


Aan een andere tafel zit iemand met zijn beker op zijn broodtrommel te timmeren. Hij is klaar met eten en zijn geduld is op. Zijn maag is gevuld en moet nu naar buiten om te gaan rennen. Er moet straks wel weer nieuw eten in kunnen. Zitten er alleen maar jongens in de klas? Eh nee, we hebben ook meisjes, maar ik zie nu dat dit verhaal vooral over jongens gaat.  Wie heeft er eigenlijk bedacht dat kleutermannen aan een tafel moeten zitten om te eten? Dat kan toch best anders? En de dames? Zij hebben dan gewoon weer tijd om zelf te gaan eten. Toch eens uitproberen...


Ontspullen

Aarzelend steekt de vrouw haar hoofd door het kiertje van de voordeur. Ze heeft duidelijk niet op ons gerekend. Ze vraagt ons verontschuldigend om Engels te praten maar dat is ook niet de taal die ze van thuis heeft meegekregen. Aan de overkant staat een makelaar-achtige man een beetje bij zijn auto te drentelen. Ze laat ons binnen en begint als een bezetene op te ruimen. Ze grist een rijtje was van de radiator en de hond moet in de hal. Dan gaat de bel. De makelaar heeft zich een klein beetje vergist in het nummer. Het witte huis aan de overkant, duidelijk van een andere prijscategorie, staat ook te koop. We mogen toch kijken.


Het eerste huis wat we bezichtigen is er een in de serie: ‘daar-moet-je-doorheen-kijken’. “Het is een projectje”, zegt de man en dit is niet de eerste keer dat hij dat zegt. “Gooi er zeventig mille tegenaan en je hebt een prachtige plek. Ik zie mogelijkheden!” Natuurlijk ziet hij mogelijkheden, en hij ziet zijn portemonnee steeds dikker worden. Ik vind het nogal wat, dat ik overal maar doorheen moet kijken. Zo ook bij het witte huis aan de overkant. “We zijn er nou toch. Kijk, smaak is een ding maar wederom een heleboel elementen om een smaakvol huis te maken.” Vast, maar ik word bijna depressief van de gemarmerde vensterbanken en de badkamer zonder bad.


Na wat over en weer getwijfel spelen we  op safe. Eerst verkopen, dan kopen. En dat betekent: opruimen. Heel veel opruimen en netjes maken. En ja ik wil ook best wat meer ruimte en nu de rente laag is moeten we onze kans grijpen..blablablablabla. Opruimen dus. Jezus wat hebben we veel spullen. En omdat oma Mini pas is overleden hebben we nog meer spullen. Spullen met emotionele waarde. Maar gas erop. Houten varken die voor haar als waakhond dienst deed in de kamer. Wat moeten we er toch mee? Wacht. Boeken. Thrillers die ik zo eng vond dat ik er niet van kon slapen? Wil ik die echt nog hebben? Weg ermee.


“Mama, wat zit er in dit tasje?”, vraagt mijn dochter. “Ow, een dood dier.”, antwoord ik, zonder na te denken, terwijl ik bijna op mijn kop tussen de verkleedkleren zit. “Wat?”, zegt ze verontwaardigd. Mijn zoon is ook meteen van de partij. Tergend langzaam haal ik het, van een collega gekregen, nertsbontje uit zijn verblijf. Gillend van afschuw vliegen ze elkaar in de armen. Mijn zoon houdt er zelfs zijn oren van dicht. Sorry collega, ik vind het ook te gruwelijk voor woorden. Vooral die kop in het midden en de hangende pootjes niet te vergeten…


Dozen vol verlaten het huis. Heerlijk dat ontspullen. Heb nu alleen nog maar leuke verkleedkleren. Durf het bijna hardop uit te spreken: Ons huis komt te koop. Op naar een ander fijn plekje. Wat ik met dat waakvarken heb gedaan? Hij staat verdekt opgesteld. Achter de nepbontjas waar ik ook nog geen afscheid van kan nemen.